Het onderwijsveld laat van zich horen



Het kabinet heeft als doel van Nederland een heuse kenniseconomie te maken. Diverse bestuurders uit het onderwijs betogen dat die ambities wel geld kosten.
De officiële ambities van Nederland met het hoger onderwijs klinken prachtig. Er wordt wat verwacht van hogescholen en universiteiten, van bestuurders, van docenten en studenten. Nederland moet zich ontwikkelen tot een kenniseconomie van een hoog niveau en bij de top van Europa behoren. Het vergt forse inspanningen als kenniseconomie aan de top te staan.

De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) laat in haar recente publicatie Education at a glance zien dat het aantal hoger opgeleiden minder snel groeit dan in de omringende landen. Nederland blijft volgens deze organisatie ook achter met investeringen in kennis en innovatie. Vreemd genoeg zijn dat juist de speerpunten van dit kabinet. Niet voor niets heeft de Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid (AWT) onlangs de alarmbel geluid en het kabinet opgeroepen meer te investeren in onderwijs en onderzoek.

Met het oogstjaar van het kabinet voor de deur vinden wij dat nu het moment daar is de jaarlijkse dans om incidentele middelen een halt toe te roepen en aan de slag te gaan met een structureel innovatiebudget. Alleen met structurele investeringen kunnen we de ambities van Nederland waarmaken.

In de afgelopen tien jaar is het bedrag per student fors gedaald. Ook de komende jaren zet de daling verder door: de uitgaven per student zakken van 5.600 euro in 2006 naar 5.200 euro in 2010. Dat is een treurig bedrag waarmee instellingen niet meer kunnen dan in hoog tempo studenten afleveren. Deze studenten zijn de kenniswerkers van de toekomst. Verdieping, maatwerk en studiebegeleiding zijn noodzakelijk voor een volwaardige opleiding. Daar moet een realistische financiële compensatie tegenover staan.

Het hoger onderwijs staat de komende jaren voor de geweldige opgave meer jongeren op te leiden. Conform de Lissabon-doelstellingen wil het kabinet een stijging van het aantal hoger-onderwijsstudenten tot meer dan 50 procent van de totale bevolking. De huidige randvoorwaarden laten het echter niet toe deze ambities waar te maken zonder dat dit ten koste gaat van de kwaliteit. Al financiert het kabinet de studentengroei, door vergaande bezuinigingen in het verleden is de investeringsimpuls momenteel uiterst negatief. Het budget voor onderwijs blijft met 5,1 procent van het bruto binnenlands product (bbp) achter bij het OESO-gemiddelde van 5,6 procent.

Kwalitatief hoger onderwijs heeft zijn prijs. Dit valt niet te rijmen met een verdere verlaging van de uitgaven per student. Hierdoor wordt het onderwijs uitgehold. In een nieuw structureel innovatiebudget moet dan ook minimaal een constante investering per student worden gegarandeerd.

De investeringen van dit kabinet zijn voornamelijk incidenteel. Met alleen incidentele uitgaven zijn de instellingen weinig geholpen. Toch lijkt investeren in projecten nu boven investeren in de basisfinanciering te gaan. De extra gelden van de aardgasbaten zijn weliswaar interessant en vormen een tijdelijke impuls voor nieuwe taken, maar dat is onvoldoende om de taken ook voor de langere termijn te laten slagen. Het zou toch droevig zijn wanneer broodnodige investeringen alleen uit meevallers zoals de aardgasbaten worden betaald. Investeren moet een keuze zijn in plaats van een toevallige meevaller.

De financiële impulsen moeten uiteindelijk terechtkomen in het reguliere onderwijs en onderzoek. Bij een dalende uitgave per student wordt het steeds moeizamer de resultaten uit deze impulsen te behouden. Daarnaast dragen incidentele uitgaven bij aan een stijging van de bureaucratie. Ieder project brengt aparte plannen, beoordelingen en verantwoording met zich mee. Voor een ministerie dat streeft naar administratieve lastenverlichting is dit moeilijk met elkaar te rijmen. In een nieuw structureel innovatiebudget moeten structurele innovatiegelden dan ook boven incidentele middelen worden ingezet.

De transparantie van de huidige begroting van OCW laat te wensen over. Er lijken middelen beschikbaar te zijn voor de verdere ontwikkeling van het hoger onderwijs maar de werkelijkheid is anders. Nieuwe beleidsprioriteiten gaan ten koste van bestaande middelen. Dit drukt op de uitgave per student.

Prioriteiten als leven-lang-leren, open bestel en e-learning worden uit reguliere budgetten gehaald. Vervolgens worden voor deze prioriteiten incidentele projecten en subsidies uitgeschreven waar hogescholen en universiteiten op kunnen intekenen. Daarmee worden het sigaren uit eigen doos die ten koste gaan van reguliere onderwijstaken. Nieuwe taken moeten gepaard gaan met nieuwe investeringen. Een euro kan maar één keer worden uitgegeven. Reguliere uitgaven moeten worden losgekoppeld van veranderende beleidsprioriteiten. In een nieuw structureel innovatiebudget zijn begrotingen eenduidig en doen recht aan de werkelijkheid.

Wij verwachten meer van de huidige Onderwijsbegroting voor 2006. Onze kenniseconomie vraagt om structurele vernieuwing. Daarom roepen wij het kabinet en de Tweede Kamer op hier alsnog inhoud aan te geven. Studenten, docenten, onderzoekers en bestuurders in het hoger onderwijs nemen samen graag de verantwoordelijkheid voor een hoog niveau van het onderwijs en het onderzoek. Laat dan van de overheid de stimulans uitgaan van Nederland de kenniseconomie te maken die het behoort te zijn.

(dit gezamenlijk opiniestuk van Ed d'Hondt (VSNU), Doekle Terpstra (HBO-Raad), Evelien van Roemburg (ISO) en mijzelf verscheen eerder in de Volkskrant)

GeenStijl biedt uitkomst



GeenStijl-bezoeker: Ik begeef mij al jaren op een spiritueel pad, op zoektoch naar wat mij drijft, naar wie ik ben.. naar mijn échte ik. Wellicht kunt u mij helpen? :|

Reclamebureau Adfactor: Natuurlijk kunnen wij dat! Je bent een man van tussen de 25 en 35 jaar en hebt een hoge opleiding genoten. Je primaire nieuwsbron is het internet en je houdt van grazen en van breedband. Je werkt, opvallend zelfstandig, in de financiële dienstverleningsector. Tevens ben je in het bezit van een (lease)auto en geïnteresseerd in gadgets, mobiele telefonie, internet, computers, games, DVD's, nieuws, internet, coole merken, opinie en kritiek. Daarnaast ben je populair onder studenten. Je verdient dan ook 1.5 keer modaal en woont in een koophuis.

GeenStijl-bezoeker: Ah uh oh :|

Reclamebureau Adfactor: Wij van reclamebureau Adfactor zeggen altijd: ieder mens is uniek, mogelijkheden verschillen van mens tot mens. Buit je sterke kanten uit!

GeenStijl-bezoeker: Jullie zeiden dat ik populair was onder studenten? :)

Reclamebureau Adfactor: Je kunt hen een boodschap ten gehore brengen. €600.000,- voor een maandlang groots op de hoofdpagina van GeenStijl (20 milj views à €0.03), of een 'firstpost' voor €5500,- de maand. Meer info: Adfactor Factsheet.

GeenStijl-bezoeker: x|

Journalistische keuken



Enigzins gedesillusioneerd was ik wel, toen ik mijn eerste interview teruglas in de krant. Daar stond namelijk te lezen dat mijn LSVb werk funest was voor mijn sociale leven. Los van het feit dat ik inderdaad moet oppassen dat mijn vrienden en vriendinnen mij nog herkennen aan het eind van mijn bestuursjaar, was dit de eerste keer dat ik het woord ‘funest’ mocht aanschouwen. Na een korte worstelling met het dikke woordenboek der Nederlandsche taal, was het vooral de verontwaardiging die in mij overheerste: dát had ik niet gezegd!

Nu, een paar maanden verder, is mij duidelijk geworden hoe de pers te werk gaat. Hier volgt een korte blik achter de schermen. Het begint altijd met een telefoontje. Een journalist belt op en vraagt of je wilt reageren op een bepaald onderwerp. Je steekt vervolgens een geweldig betoog af en als de journalist, na een aantal minuten, je beu is en/of het idee heeft genoeg informatie te hebben voor een artikel, bedankt hij je hartelijk voor het gesprek (al dan niet gevolgd door het verzoek om een digitale foto toe te sturen die ze telkens weer kwijt raken op de redactie). Vervolgens gaat de journalist een aantal vragen bedenken en daarbij antwoorden construeren. Dit doet hij op één van de volgende manieren: óf hij zoekt een aantal fragmenten uit je betoog bij elkaar, maakt er een zin van en plaats deze tussen aanhalingstekens, óf hij vat je woorden samen in zijn eigen woorden en plaatst het resultaat tussen aanhalingstekens. Tot zover het kijkje in de keuken die journalistiek heet.

Achteraf beschouwd was mijn beeld van de pers eigenlijk wel wat naïef. Want hoe kun je nou van journalisten verwachten dat ze al dat geblaat aanhoren, geïnteresseerd ja en nee zeggen (op de juiste momenten), af en toe tactisch hummen en tegelijkertijd alles wat er wordt gezegd foutloos neerschrijven? En dat alles op ongekende intellectuele hoogtes, in de brandende hitte van de discussie! Je zou haast van journalisten verwachten dat ze over bovenmenselijke eigenschappen beschikken, dat het supermensen zijn, dat wonderen deze wereld nog niet uit zijn! Ja, of dat ze een taperecordertje kopen natuurlijk...

(deze column verscheen eerder in Memory Magazine)

Verspil geen talent



Mark Rutte betoogt al sinds zijn aantreden dat studenten beter moeten gaan kiezen. Kiezen op kwaliteit. Daar sluit ik mij volledig bij aan. Geef studenten veel informatie over hun studie, presenteer het geheel op een duidelijke manier en je maakt een goede studiekeuze mogelijk. Want die keuze moet bij de student liggen. Op dat punt verschillen Rutte en ik echter van mening. Hij wil die keuze leggen bij de onderwijsinstelling. Die moet volgens hem bepalen welke student op welke niveau moet studeren. Bij selectie vóór de poort gebeurt dat op basis van de middelbareschoolresultaten, bij selectie ná de poort op de tot dan toe geleverde prestaties van de student.

Dat niet alle 550.000 studenten in Nederland gelijk zijn mag duidelijk
wezen. Sommige studenten zijn beter op hun plaats op een hogeschool, anderen op een universiteit. Maar ook binnen de twee typen zijn er verschillende studenten. De één richt zich het liefst op het zo snel mogelijk halen van het diploma met zo min mogelijk moeite, de ander wil zich juist verdiepen in de studie en hoge cijfers halen. Daartoe wordt dan ook de ruimte geboden: een student kan extra vakken volgen, een tweede studie doen, of zich inschrijven voor een honours-programma.

Het belangrijkste is dat iedereen die het wil, ook de mogelijkheid krijgt om op welke manier dan ook vorm te geven aan zijn of haar ambitie. Niets is immers zo frustrerend als méér willen en daarvoor niet de ruimte krijgen. Sterker nog: dat is weggooien van talent.

Dit is nu precies het gevaar van Ruttes plannen. Hoe doordacht de procedures ook zijn, instellingen zullen op basis van door hen gekozen gegevens een voorspelling maken van jouw toekomstige prestaties. Een voorspelling die een grote invloed heeft op jouw toekomst. Onderwijspsychologen doen al jaren onderzoek naar de beste selectiemethoden. Op basis van de meest volledige gegevens is het nu gelukt zo'n 25 procent van je academische prestaties te voorspellen op basis van hoe je op de middelbare school hebt gescoord. Dat betekent dat 75 procent van de mensen die niet door de selectie komt, op verkeerde gronden is geweigerd.

Naast selectie voor de poort pleit Rutte ook voor selectie in het propedeusejaar. Als het aan hem ligt gebeurt dat al na het eerste trimester van het eerste jaar, dus na drie maanden. Drie maanden is natuurlijk een belachelijk korte periode. Ik zou stellen: geef studenten de kans om zich te bewijzen. Laat hen veel werk op zich nemen, laat hen zichzelf uitdagen. Daar hoort ook bij dat je studenten confronteert met hun resultaten. Als duidelijk wordt dat een student het niveau niet bijhoudt, zal hij daar zijn conclusies uit trekken. Zo voorkom je het verspillen van het in Nederland zo verlangde talent. De enige goede vorm van selectie is zelfselectie!

(dit artikel verscheen eerder in het Reformatorisch Dagblad)

Eerste werkdag



Daar kwam hij al aan. Haastig drukte ik mijn halfgeschreven smsje weg en stak mijn hand uit. Leuk dat je er bent, Mark. Ja, het gaat een mooi jaar worden. Wat zeg je? Strijden we uiteindelijk voor het zelfde doel? Daar kom ik zo op terug.
Binnen twintig seconden was hij weg, opgegaan in de feestende mensenmassa. Geheel in stijl met zorgvuldig uitgekozen University of Twente sweater, indigo spijkerbroek en witte sportschoenen. Toegegeven: Mark Rutte kan goed integreren.

Het was niet de meest gangbare eerste werkdag. Luttele uren na onze benoeming als nieuw LSVb-bestuur stonden we onze kont af te swingen in een discotheek in Utrecht. Tussen de feestgangers bevonden zich, naast studenten, echter ook journalisten, ambtenaren en medewerkers van de VSNU en HBO-raad. En dat maakte van de dansvloer een werkvloer. Aan ons de taak om de opzwepende bass-golven en onze bier brengende vrienden te negeren en zo veel mogelijk verstandige dingen te zeggen tegen zo veel mogelijk mensen. Een ware vuurproef.

Want er moesten zaken worden gedaan. Na een korte speurtocht (hij gaat echt goed op in de menigte) trof ik Rutte aan, heftig in debat met twee LSVb’ers. Ik greep mijn kans en tikte hem op de rug: “Om even terug te komen op wat je daarnet zei over een gezamenlijk doel…”. Een kwartier later kon ik concluderen dat ik zaken had gedaan. Na een tijdje gesproken te hebben over het duidelijk aangeven van ieders standpunten, kwam het resultaat: Rutte kondigde plechtig het einde aan van het loze woordentijdperk (gekenmerkt door zinnen als “Ik neem het mee” en “We zullen er naar kijken”). Voortaan, zo beloofde Rutte, zal hij concrete toezeggingen doen.

Een van de eerste dingen die ik heb geleerd in mijn inwerkperiode is nooit te vertrouwen op de woorden van een politicus. Maar ik ben een naïeve jongen en zie Rutte’s belofte dan ook als een goed begin van wat een roerig jaar gaat worden. Na de zomer barsten de onderhandelingen over de nieuwe hoger onderwijswet los; er komt een nieuw zorgstelsel; en de huisvestingsproblematiek laait steeds feller op. Aan ons de taak om hier goed op in te spelen, keihard te onderhandelen en actie te voeren waar nodig. Wij zijn er in ieder geval helemaal klaar voor. Maar nu eerst even integreren in politiek Den Haag. Waar Rutte een sweater aantrekt, doen wij een knoopje los.

(deze column verscheen eerder in Memory Magazine)

De toekomst van de vakbond

(Het onderstaande is een bewerking van mijn lezing op het cmhf-symposium over de toekomst van de vakbond)



Verwacht geen verhaal van een oude rot in het vak, geen analytische inzichten gebaseerd op uitputtend onderzoek. Het enige wat ik jullie kan bieden zijn beschouwingen op basis van mijn ervaring als voorzitter van de lsvb sinds vijf maanden. En zoals het een echte LSVb’er betaamt, enkele pittige stellingen.

Kort over de LSVb. De landelijke studentenvakbond is gesticht in 1983, uit de noodzaak om ook landelijke de belangen van studenten te kunnen behartigen. De LSVb is een federatie, een koepel van 13 lokale studentenvakbonden verspreid over het land. Dit zijn de leden van de LSVb.

Beslissingen worden genomen in de algemene leden vergadering, ALV, waarin elke lidbond een stem heeft. Deze benoemen het landelijk bestuur en stippelen het beleid uit. Daar de ALV zo’n 6 maal per jaar samenkomt krijgt het dagelijks bestuur het mandaat van de ALV om te handelen naar eigen goeddunken. Het is de verantwoordelijkheid van het bestuur om regelmatig input te krijgen van de lidbonden en hen op de hoogte te houden van de ontwikkelingen in de nationale politiek. De ALV ziet hier op toe.

Hoewel op het eerste oog een wereld van verschil, zijn er veel gelijkenissen tussen de LSVb en de CMHF. De LSVb is evenals de CMHF een typische tussenorganisatie, gevangen tussen haar lidorganisaties en de koepels waar zij op haar beurt weer lid van is. Manouvreren in deze lastige tussenpositie brengt enkele ‘uitdagingen’ met zich mee.

De kwestie legitimiteit. Als vakbond behartig je de belangen van je leden. Dit kan door middel van dienstverlening, directe diensten zoals verzekeringen, juridisch advies, etc. Een andere vorm is sociaal-economische belangenbehartiging door middel van politieke lobby. En in ons geval: ons bemoeien met alle onderwijsinhoudelijk zaken die wij belangrijk achtten. Liever teveel bemoeien dan te weinig, is ons motto.
Door kundig gebruik te maken van media, politici en andere opiniemakers slagen we er in om anderen te winnen voor onze zaak en zo het leven van onze leden weer ietsje beter te maken. En soms falen we heimelijk.

Waar dienstverlening tamelijk ongecompliceerd is, komt er bij de tweede vorm van belangenbehartiging een grote uitdaging om de hoek kijken. Namelijk die van de legitimiteit. De vakbond is er voor haar leden en is dan ook niets meer dan haar leden. Om een en ander werkbaar te maken wordt er een bestuur gekozen dat spreekt namens iedereen. De leden van dat bestuur (5 bij de LSVb, 13 bij de cmhf) dienen dus de mening te vertolken van de duizenden mensen die de vakbond vertegenwoordigt. Uiteraard worden zij ondersteund door diverse commissies en door de ledenvergadering, maar voor het merendeel van de tijd staan zij op eigen benen. Dus zullen zij moeten bedenken wat de leden willen, wat goed is voor de leden en wat er gedaan moet worden. En dat kan wel eens lastig zijn. Want wordt een opvatting wel door álle leden gedragen?

Hogere lonen en een gulle pensioenregeling worden over het algemeen door de meeste mensen gewaardeerd, maar een hoe grote rol moet kinderopvang krijgen in de CAO-onderhandelingen, hoe belangrijk zijn flexibele werktijden en een auto van de zaak? Het maakt nogal wat uit of de werknemer in kwestie een vrouw met drie kinderen is of een alleenstaande forens.

Of laat ik een voorbeeld noemen dichterbij huis. Iets waar Rutte verzot op is: Investeren in jezelf. Volgens Rutte verdienen afgestudeerden zoveel meer dan hen die niet gestudeerd hebben, dat het alleen maar logisch is dat ze bereid zijn flink in hun studie te investeren. Zij het met het eigen geld of via een lening. Studenten die van hun ouders het rendement van een academische opleiding kennen, studenten die kunnen terugvallen op het kapitaal van hun ouders, studenten die het financieel niet al te krap hebben, zien wel wat in deze redenering. Zij zien daarbij echter over het hoofd de studenten die het financieel rendement van een studie nog niet kennen van hun ouders, studenten die moeilijk rond komen en worden afgeschrikt door zo een grote investering. Beide groepen studenten vertegenwoordigen wij.

Maar er zijn lastigere, ideologische punten. Hoeveel, bijvoorbeeld, moet de overheid bijdragen aan de sociale zekerheid? Is dat een hogere collectieve lastendruk waard of doopt ieder zijn eigen boontjes? Kies je voor moedertje staat of voor vadertje markt?

Dus, het probleem van legitimiteit is enerzijds: worden de standpunten die je als vakbond verkondigt wel gedragen door al je leden.

Anderzijds is er de kwestie van ledenaantal. Sociaal-economische belangenbehartiging strekt verder dan alleen de leden van de vakbond. De lobby gaat vaak over de belangen van het hele beroepsveld, de hele sector, of in ons geval: alle hbo en wo studenten in Nederland. Wil je als belangenbehartiger serieus genomen worden door je gesprekspartners dan is het van groot belang dat je kunt aantonen dat jij gelegitimeerd bent voor je achterban te spreken. Uiteraard betekent dit dat je weet wat je achterban denkt, voelt en wilt. Maar deze aanspraak zal tevens door harde cijfers ondersteund moeten worden: ledenaantal.

Diverse wetenschappelijke onderzoeken en menig krantenartikel wijzen allemaal in dezelfde richting: maatschappelijke participatie neemt af. Mensen gaan minder vaak naar de kerk, zijn minder te porren voor vrijwilligerswerk en minder mensen staan ingeschreven bij verenigingen. Deze trend bedreigt ook de vakbond.

Misschien is het het makkelijkst om deze tak van belangenbehartiging gewoon af te stoten; je als vakbond puur te richten op directe dienstverlening en je politiek zoveel mogelijk afzijdig te houden. Maar hoe politiek neutraal kan je als vakbond zijn? Hoe ga je om met ideologische vraagstukken? Biedt een pragmatische insteek altijd oplossing? Mijn stelling:

Een vakbond zonder visie is geen vakbond


De tweede stelling haakt in op de kwestie legitimiteit, maar plaats de uitdaging in een ander daglicht. Namelijk: hoe combineer je legitimiteit wat betreft door ieder gedeelde opvattingen, met daadkrachtig bestuur. Hoe vertegenwoordig je een brede groep, hoe zorg je voor genoeg ruggespraak en hoe hak je efficient knopen door mét steun van je achterban?

Het zal niemand ontgaan zijn: we leven niet meer in de Griekse oudheid. De directe democratie is dan ook iets van het verleden. We kunnen niet meer allemaal de ezel pakken en afreizen naar de agora om te stemmen. Parlementaire democratie is daarvoor in de plaats gekomen: we kiezen capabele (en soms wat minder capabele) volksvertegenwoordigers om de beslissingen voor ons te nemen. Daarvoor krijgen zij vier jaar lang het mandaat.

We zien in de afgelopen jaren echter een trend naar verdergaande ‘democratisering’. D66 maakt van bestuurlijke vernieuwing haar belangrijkste punt. Er moet een gekozen burgermeester komen, een kiesdistrictenstelsel. Ook de discussie over referenda laaide weer op in het kader van het stemmen voor de Europese Verdragenbundel (ook wel ‘grondwet’ genoemd). De SP pleitte onlangs voor een invloedrijk referendum waarmee verkiezingen konden worden afgedwongen.
Zo voerde ook de FNV onlangs het ledenreferendum in. Is dat de weg die we moeten bewandelen?

Óf is het een onwerkbaar systeem? Hoort bij vertegenwoordigingsdemocratie niet het mandaat van de bestuurders? Wil je de organisatie een beetje efficient draaien dan kan je niet voor elke beslissing die je maakt je achterban raadplegen. Een beetje vertrouwen in het bestuur is op zijn plaats. Als je elke vraag moet beantwoorden met ‘moet ik even aan de leden vragen’ wordt je door niemand meer serieus genomen.

Daarbij: niet alle plannen komen direct ten gunste van de leden. Soms zijn ingrijpende hervormingen nodig, of nog gevoeliger: bezuinigingen. Plannen die op de lange termijn goed, zelfs noodzakelijk, zijn, komen niet altijd even aantrekkelijker over op de leden. Is het juist niet de verantwoordelijkheid van het bestuur om deze moeilijke beslissingen te nemen, om te handelen in het uiteindelijk beste belang van je leden?

We zullen natuurlijk al gauw uitkomen op een tussenvorm. Maar laat ik een suggestie doen voor een mogelijke insteek van de discussie met de stelling:

Daadkracht mag niet te koste gaan van legitimiteit


Tijd voor discussie.

Wat is niau?



Reeds drie maanden geleden is het inwerktraject van het nieuwe bestuur gestart. Na twee maanden vol bloed, zweet en tranen, was het dan zo ver: we mochten op eigen benen staan. Sinds vier weken moeten we dus alles zelf doen. En wat doen we dan? Wat is niau en watskeburt? Een verslag van het heden en een blik in de toekomst…

Was het een paar weken geleden nog één van onze topprioriteiten om wat verkoeling te brengen op het kantoor, nu zitten we te denken aan een set paraplu’s om onze reizen wat aangenamer te maken. Het is een onzeker bestaan dat we leiden, elke dag is anders, de toekomst is onbekend.

Om het gemis aan zekerheid en stabiliteit op te vangen, is een bestuur geformeerd dat gezegend is met een flinke portie flexibiliteit. Vraag Remie om een factsheet en hij schrijft het terwijl hij eet; bel Jonathan om 6 uur ’s morgens en hij geeft je een interview; laat vallen dat je hem nodig hebt en Sjoerd neemt de eerste trein terug uit München.

Die flexibiliteit uit zich ook in een brede oriëntatie aan onderwerpen waar wij ons op gaan storten het komende jaar: van studentenhuisvesting tot accreditatie, van het nieuwe zorgstelsel tot selectie aan de poort. Met onze onderwerpskeuze proberen we de belangen van studerend Nederland zo goed mogelijk te behartigen in een zo’n breed mogelijke zin.

We zullen er niet alleen zijn voor studieproblemen maar ook voor zij die gedupeerd worden door het nieuwe zorgstelsel, zij die uitgebuit worden door hun werkgever en zij die problemen hebben met hun huisbaas. Kortom we zullen een echte vakbond zijn: één die er is voor elke student en die zich richt op alle aspecten van het studentenleven. En dat mag je best een ambitieus streven noemen :)

(deze column verscheen eerder op lsvb.nl)

Wie slechts één maatschappij kent, kent geen



"In case you are wondering, this is not the same plane", grapt de stewardess. Na drie uur gewacht te hebben tot er een nieuw toestel beschikbaar was, kunnen we eindelijk plaatsnemen in onze comfortabele vliegtuigstoel. Over vijf minuten verlaat ik Slovenië. Tijd voor een korte reflectie op twee weken zomer universiteit in Ljubljana.

Al snel viel mij op: de netheid, stiptheid en organisatiegraad van onze Sloveense gastheren. Het programma voor de twee weken lag tot in de details vast en zou vervolgens ook precies zo uitgevoerd worden. Komende van een zekere universiteit uit Amsterdam was dit een ware openbaring: zo kan het dus ook! Schaduwzijde was natuurlijk dat dit ook de nodige stiptheid en volgzaamheid van mijn kant vergde. Gelukkig vielen mijn ontwenningsverschijnselen in het niet bij die van mijn Portugese, Spaanse en Griekse studiegenoten.

Een en ander schijnt een erfenis te zijn van de nauwe banden die Slovenië altijd heeft gehad met Oostenrijk en Duitsland. Ook in haar tijd als deelstaat van Joegoslavië heeft Slovenië zich altijd op het westen georiënteerd en zich tot op zekere hoogte afstandelijk gehouden van interne Balkanpolitiek. Het was dan ook het eerste land dat zich afscheidde van de Statenbond. Slovenen praten niet graag over het oude Joegoslavië, maar gelukkig waren er tijdens de zomer universiteit genoeg Kroaten, Bosniërs en (met name) Serven die graag over dit interessante stukje historie wilden praten. Duidelijk bleek dat Slovenen de nostalgische gevoelens van vele van hun voormalige landgenoten niet deelden. Liever richtten zij zich op de toekomst: op Europa. Eén van mijn studiegenoten voegde toe dat Slovenië maar al te haastig lid wilde worden van een nieuwe unie. Slovenie vindt het eng om op eigen benen te staan, was zijn cynische conclusie.

In colleges kwam de nieuwe oriëntatie van Slovenië duidelijk naar voren. Voor de start van elk college werd de student met veel woorden verzocht om vooral vragen te stellen en de spreker te onderbreken waar hij of zij dat nodig achtte. Van deze uitnodiging werd maar al te graag gebruik gemaakt door sommige van mijn studiegenoten. Dit toonbeeld van westerse waarden (vrijheid van meningsuiting!) kwam tamelijk onnatuurlijk over. Te meer, daar ik in de coulissen het nodige geklaag vernam over een gebrek aan respect voor docenten. Al met al leek het meer of hier plichtmatig afgedaan werd met het communistisch verleden, dan dat dit nu echt was wat de docenten wilden.

Ook in de architectuur was het verschil tussen oud en nieuw prachtig te zien. Op de eerste dag werden we met veel bombarie een universiteitsgebouw ingeleid, waar menig Hollands universiteitsbestuurder stinkend jaloers op zou zijn. Van buiten groots en modern, van binnen ruim en strak. En: gloednieuw natuurlijk. Glimmend van trots heette de decaan van de faculteit ons dan ook welkom. Zes dagen later echter gebeurde het onvermijdelijke: we moesten uitwijken naar een ander gebouw. Zo mooi modern als het eerste gebouw was, zo saai en kaal, geheel in communistische traditie, was dit gebouw.

Pas aangetreden bij de LSVb, kon ik het natuurlijk niet laten om met Sloveense studenten te praten over hun onderwijssysteem. Wat mij direct opviel was de late leeftijd waarop Slovenen hun tertiaire opleiding afrondden. Des te meer omdat alle studenten die ik sprak van plan waren na hun (bachelor) opleiding, een masteropleiding te gaan volgen in het buitenland. Uitgaande van de verhalen van de studenten, is de arbeidsmarkt voor afgestudeerden krap en moet de Sloveense student veel doen om zich te onderscheiden van de medestudent. De 4-jarige universitaire- of 3-jarige beroepsopleiding wordt dan ook dikwijls gedaan in combinatie met vele nevenactiviteiten. Veelgenoemd wordt participatie in NGO's en (inter)nationale vrijwilligersorganisaties. Gelukkig krijgt de Sloveense student de financiële ruimte om dergelijke activiteiten te ondernemen: de studie kost de student niets.

Sloveense studenten die naar het buitenland willen gaan kunnen dat doen met een Erasmus-beurs. Deze compenseert hen in de studiekosten in het buitenland. Waar veel West-Europeanen echter niet bij stil staan is de factor levenskosten. Ik sprak een ambitieuze Sloveense studente die met hoge cijfers een beurs had weten te regelen om in Utrecht een masteropleiding te volgen. Ze zag haar plan echter op het laatste moment in duigen vallen, toen ze vernam hoeveel de huisvesting en haar levensonderhoud haar zouden gaan kosten. Het verschil met Slovenië bleek te groot om te overbruggen.

Rijk aan nieuwe ervaringen en inzichten keer ik terug naar Holland. Ik raad een ieder die zich bekommert om het hoger onderwijs aan om -alvorens zich te buigen over het Nederlands stelsel- een blik te werpen over de grenzen. Want, zoals cultureel-antropoloog Fahrenfort eens zei, "Wie slechts één maatschappij kent, kent geen".

(dit artikel verscheen eerder op ScienceGuide)

Grote Avond van de Beschaving



Het was de grote avond van de beschaving. Zo stond het immers aangekondigd in de Tv-gids: “de VPRO wijdt zijn televisieavond volledig aan de beschaving. Vanuit sociologische invalshoek wordt gekeken naar de verwarring waarin de Nederlandse samenleving lijkt te verkeren”. Hoopvol zette ik de Tv aan. Volledig gedesillusioneerd zette ik de kijkkast weer uit. In de anderhalf uur van de uitzending kwam de sociologische invalshoek drie maal naar voren. Eerst kreeg sportsocioloog Maarten van Bottenburg 5 minuten de tijd om tenenkrommend enthousiast te reageren op vragen over zijn onderzoek naar verharding binnen de vechtsport. De uitkomst van zijn onderzoek? De sport was verhard. Vervolgens werd na een korte inleiding van Rob Trip (“wat die man schrijft is geweldig actueel”) een video-opname van Norbert Elias vertoond. Minutenlang was te zien hoe de bejaarde man baantjes trok in een klein zwembad. Topamusement. De derde sociologische invalshoek werd geboden door professor emeritus Joop Goudsblom, welke gevraagd was om in enkele minuten zijn ideeën over tijd en beschaving uiteen te zetten. Al snel schakelde men over naar een groepsgesprek onder leiding van Catherine Keyl.

Hans Beerekamp wist mijn gevoel over de avond goed onder woorden te brengen in zijn artikel in de NRC van maandag j.l.:

"De Grote Avond van de Beschaving was een vrijwel ongeevenaard dieptepunt. Het bleek ruim drie uur verprutste zendtijd met slecht gearticuleerde, kunstmatig gebazel, rechtstreeks uit De Balie, waar gevarieerde sprekers halfbegrepen teksten voordroegen en een ethicus en een psycholoog onder een paraplu met de eigenares van een Hummer over haar beschavingsniveau debatteerden: stomvervelend, pedant en irrelevant geklungel".

Maar er was wel een klein lichtpuntje: Joop ‘hoogtepuntje van de avond’ Goudsblom. Goudsblom legde een link tussen beschaving en tijd. We leven onder de dictatuur van de klok stelde hij, maar wat betekent dat? We vrezen te laat te komen en vrezen de reactie daarop; beduchtheid voor anderen en voor het eigen geweten, dwang van anderen en zelfdwang. Het tijdsregime is iets wat we ons zelf hebben opgelegd, de klok alleen kan ons niet raken.

Deze mooie gedachten, gebaseerd op de civilisatietheorie van Elias, waren echter niet het enige wat me is nagebleven nadat ik de afstandsbediening had benut. Een veel mooier moment was er een in het groepsgesprek dat werd gehouden onder het regime van mevrouw Keyl. De gesprekspartners concludeerden tezamen dat beschaving vrijheid was: Vrijheid, zich bewegend tussen aan de ene kant ruimte en gedogen, aan de andere kant afstand en negeren. En daar zit heel veel in. Om een ander in zijn of haar waarde te laten is immers ruimte nodig, ruimte waarin iemand zichzelf kan zijn. Het gevaar is echter het doorslaan naar onverschilligheid. Wat maken we het onszelf toch moeilijk...

Target: The Hague


(de afbeelding is een beeldelement uit de folder van Bird and Bird advocaten (www.twobirds.com), op dit beeldmateriaal berusten auteursrechten)

Het doelwit: 's Gravenhage. Advocatenkantoor Bird & Bird komt jagen in Nederland! Hogeschool inHolland heeft Bird & Bird namelijk ingeschakeld om protesterende inHollandstudenten de mond te snoeren. Middels deze brief wordt de provider van de protestsite injeholland.nl waar ik eerder al melding van maakte, verzocht de website injeholland.nl uit de lucht te halen. Angstig gemaakt door de mededeling dat "het hier ook strafbaar handelen betreft", voldeed de provider meteen aan de eisen. De gedupeere inHolland studenten lieten het echter niet op zich zitten en zijn terug, sterker dan ooit (met een mooiere website tenminste ;).

Wat voor signaal geeft inHolland hiermee af? Ik zou niet zeggen dat deze move erop wijst dat studenten serieus worden genomen, de signalering van problemen wordt gewaardeerd en dat er wordt gewerkt aan een oplossing voor de problematiek. Sterker nog: als ik een fanatiek grondwetfundamentalist zou zijn, dan zou ik waarschijnlijk publiekelijk de inHollandvlag verbranden en samen met mijn kameraden, bedwelmd door de bass-golven van djembe-trommels, uit volle borst roepen om het radbraken van het voltallige inHollandbestuur!

Omdat ik echter het beste voor heb met deze lieden, zal ik een poging wagen objectief te bekijken of de beschuldigingen van inHolland hout snijden. Waarom moet de injeholland.nl site plat volgens het advocatenbureau? Een greep uit de brief:

1. "Op deze website staan ernstige bedreigende en beledigende teksten jegens Hogeschool INHOLLAND".

2. "Het gebruik van de domeinnaam injeholland.nl en het gebruik van het teken "INjeHOLLAND" op de website maakt een buitengewoon harde inbreuk op de rechten van intellectueel eigendom, meer specifiek de merkrechten en handelsnaam, van cliënte".

Laten we kijken wat het kan zijn waardoor inHolland zich zo bedreigd en beledigd zou voelen. Er zijn op de site een aantal artikelen te vinden uit diverse media (Noord Hollands Dagblad, NRC Handelsblad, Volkskrant, Onderwijsblad). In deze wordt verslag gedaan van de situatie op hogeschool inHolland. Uiteraard zou inHolland deze kritische berichtgeving willen censureren, maar dat streven lijkt mij enigzins te hoog gegrepen in een land waar dat streven tegengewerkt wordt door belemmeringen als onafhankelijkheid van de pers en vrijheid van meningsuiting.
Daarnaast is er een persoonlijk document van een inHollandstudent te lezen, waarin wordt beschreven hoe zijn of haar laatste tentamen verliep. Na een zeer descriptief (en redelijk objectief) verslag van de gang van zaken eindigt de student met de zin "Het was namelijk weer het zoveelste foutje van de planning". Natuurlijk zou elke despoot dergelijke uitspraken het liefst genadeloos afstraffen, maar we leven toch echt in een rechtstaat waar we te lijden hebben onder het juk van (eerder genoemde) vrijheid van meningsuiting en dergelijke machtbeperkende grondwetten. Tot zover vraag ik me af hoe inHolland het desbetreffende advocatenkantoor zo gek heeft gekregen zich in te zetten voor een dergelijke zaak.

Maar nu komt het sterkste punt van inHolland. De gedupeerde studenten hebben immers misbruik gemaakt van het intellectueel eigendom van inHolland! Wat denken die studentjes wel?! Zonder de naam INHOLLAND, zouden studenten de naam injeholland immers niet kunnen hebben bedacht. Geen injeholland zonder inHolland, geen anti-globalisme zonder globalisme. Maar is dit strafbaar? Hebben de oprichters van injeholland.nl een commercieel belang; is de naam van de website een instrument voor het streven naar winst; worden de gedupeerden er financieel beter op? Als ik mijn leven ten dienste zou hebben gesteld aan de Neerlandsche rechtspraak, dan zou ik het antwoord op deze vragen wel weten...