Geen dorpsgek, maar Jan Jacob van Dijk



Na afloop van het Dreesseminar "Wat te doen met 1000 miljoen?" ontmoette ik Jan Jacob van Dijk. Op het seminar was gesproken over de actuele problematiek van het onderwijs en de maatregelen die de politiek juist wel of juist niet zou moeten nemen. Gerrit Zalm zat de middag voor, Martin Sommers maakte een praatje, Prof. Jaap Dronkers zorgde voor de wetenschappelijke onderbouwing en Arnold Heertje hield zijn gebruikelijke tirade. Na de inleidingen kreeg een viertal politici de gelegenheid te reageren. Jasper van Dijk (SP) zette enkele kritische kanttekeningen, Staf Depla (PvdA) zette zijn visie uiteen en Rita Verdonk (VVD) was het eigenlijk met alles wel eens.

Eén politicus had op het seminar duidelijk zijn verhaal niet kunnen doen, want op de borrel moest hij nog het nodige kwijt. Ik heb het over Jan Jacob van Dijk. “Het lage statusprobleem van het onderwijs ligt aan het grote aantal vrouwen”, stak van Dijk van wal. Het is immers een “sociologisch feit” dat de status van een beroepsgroep afneemt met een toename van het aantal vrouwelijke werknemers, aldus het Tweede Kamerlid. De oplossing voor het statusprobleem is een simpele: meer mannen, minder vrouwen in het onderwijs. Dan wordt het onderwijs vanzelf een aantrekkelijkere sector om te werken. Om zijn punt kracht bij te zetten, voegde hij aan deze wijsheid een persoonlijke anekdote toe: “Ik heb zelf ook drie terroristjes rondlopen thuis..”, ik meen dat hij doelde op zijn (christenfundamentalistische?) kinderen, “..en daar valt geen orde bij te houden op school - als de juf voor de klas staat”. “Maar als er een keer een (inval)meester komt... dan luisteren ze als schapen”. ‘Zo simpel is het’, straalde hij met zijn glimlach uit.

Ik kon het niet laten om te opperen: “Misschien ligt het aan de opvoeding van uw kinderen”. Mijn opmerking werd mij niet in dank afgenomen. Kort hierna verliet Jan Jacob van Dijk de borrel. Ik richtte mij tot de rest van het gezelschap en verzekerde mij van het feit dat ik zijn woorden goed had gehoord en juist had geïnterpreteerd. Ook werd mij bevestigd dat de heer van Dijk lid is van de Tweede Kamer der Staten Generaal en Nederlands volksvertegenwoordiger voor het Christendemocratisch Appèl. Daarbij werd mij verteld dat de heer van Dijk professor is aan de Vrije Universiteit te Amsterdam, om precies te zijn: bijzonder hoogleraar christelijk sociaal denken.

Inhoudelijk wil ik weinig woorden kwijt aan wat professor van Dijk mij aan wijsheden heeft onderwezen. Het enige waar ik op in wil gaan is het “sociologisch feit” dat hij noemde. Hoewel ik nog lang geen professor ben, kan ik als student sociologie twee pijnpunten aanwijzen in zijn verhaal. Ten eerste maakt van Dijk een grove denkfout (de wetenschappelijke term is ecological fallacy) als hij de lage status van een beroepsgroep projecteert als een eigenschap van de individuele werknemers, de vrouwen. Ten tweede heeft hij wel een heel merkwaardig beeld van de sociologie. Als er immers één ding is wat “sociologisch” vaststaat is dat wel dat zaken als aanzien en status sociaal-bemiddeld zijn, d.w.z. dat het dingen zijn die worden bepaald door sociale processen van meningsvorming en beïnvloeding. Status is verre van statisch, zoals de heer van Dijk met zijn ‘oplossing’ lijkt te impliceren. Een meer “sociologische” oplossing voor het statusprobleem zou gezocht moeten worden in het aantrekkelijker maken van het beroep docent in materiële en professionele zin. Het is de wereld op zijn kop om vrouwen de schuld te geven van het lage aanzien van het docentschap.

Wat later, thuisgekomen, reflecteerde ik op hetgeen ik deze middag had meegemaakt. Iemand had publiekelijk een sterk seksistisch wereldbeeld ten toon gespreid. Geen nobody, maar een lid van de Tweede Kamer. Geen domoor, maar een professor. Geen buitenbeentje van de SGP, maar een gerespecteerde CDA’er. Ik stond perplex. Is dit nu ‘christelijk sociaal denken’ ?

Veroordeeld tot leren



Voor tweehonderdduizend scholieren is het eindexamen op dit moment alles dat telt. Hun ouders vernemen dagelijks van hun prestaties en de rest van Nederland luistert via de media mee. Onze maatschappij hecht veel waarde aan onderwijs. De overheid pleit voor méér scholing en wij geven daaraan gehoor. Wat zijn echter de gevolgen van dit beleid en waartoe leidt deze trend? Ik zal hier bepleiten dat wij te ver zijn doorgeschoten in ons geloof in onderwijs.

De algemene opvattingen over onderwijs zijn bekend: op school leren wij basisvaardigheden, vergroten wij onze zelfredzaamheid en worden wij gevormd tot goede burgers en, niet te vergeten, tot productieve werknemers. Daarbij heeft onderwijs positieve effecten voor de hele samenleving: zij bevordert de sociale cohesie en verhoogt ons welvaartsniveau. Erg weinig aandacht, in het publieke en politieke debat, gaat uit naar de keerzijde van onderwijs. Een teveel aan onderwijs, bijvoorbeeld, lijkt schier onmogelijk. Toch zal ik hier juist dát betogen: er is zoiets als een teveel aan onderwijs en dat gaat gepaard met de nodige problemen.

Natuurlijk is mens en maatschappij gebaat bij goed onderwijs in rekenen, schrijven en lezen. Ook vervult de school een belangrijke functie in het creëren van een collectieve basis van kennis en normen. Daaraan kunnen wij in de rest van ons leven refereren en deze scheppen een basis voor samenleven en samenwerken. Tot zover volg ik het kabinet. Het vertrouwen in onderwijs gaat echter veel verder. In overheidsnota’s lijkt dit vertrouwen welhaast ideologische vormen aan te nemen. Problematiek rondom integratie, criminaliteit en werkloosheid, zo lijkt men te geloven, is allemaal op te lossen met een beetje meer onderwijs.

Het nut van onderwijs is in de wetenschap echter verre van onomstreden. Weliswaar is uit onderzoek gebleken dat werkgevers bereid zijn om meer te betalen voor hoger opgeleide werknemers. Wetenschappers zijn echter verdeeld over de achtergrond van die bereidheid om meer te betalen. Betaalt de werkgever meer omdat zijn werknemer door scholing productiever is geworden of is het iets anders dat de werkgever waardeert? Er is een flinke stroming in het wetenschappelijk onderzoek die het laatste beweert. De stroming splitst zich in drie varianten.

Sommige wetenschappers stellen dat onderwijs voor werkgevers van belang is vanwege het vormende element ervan: het kneedt mensen tot gehoorzame en volgzame werknemers. School is in hun ogen een soort simulatie van de werkomgeving, waarin leerlingen omgang met gezag wordt aangeleerd en discipline wordt bijgebracht. Deze latente lessen zijn vele male belangrijker dan het formele curriculum.

Anderen stellen dat de enige waarde van onderwijs zit in het papiertje dat je na afronding ontvangt; wat je daadwerkelijk leert is van ondergeschikt belang. In deze visie zijn werkgevers volledig overgeleverd aan scholen waar het de beoordeling van capaciteiten van toekomstige werknemers betreft. Het papiertje (‘credential’) voorziet in de behoefte van de werkgever doordat het de ‘waarde’ aangeeft van de toekomstige werknemer. Credentialisten, zoals de aanhangers van deze ideeën worden genoemd, stellen dat er een grove discrepantie zit tussen de waarde die de credential aangeeft en de daadwerkelijke productieve waarde van de persoon in kwestie. Sommigen voegen hier aan toe dat credentials instrumenten zijn om klasse-ongelijkheid in stand te houden.

De derde groep is ervan overtuigd dat men nauwelijks iets leert op school – en wat je leert, ben je al vergeten voordat je het in de praktijk kunt brengen.

De daadwerkelijke waarde van onderwijs laat zich niet in algemene termen uitdrukken; die varieert van school tot school en van docent tot docent. Ik beweer geenszins dat dit gegeven aanleiding geeft om geen onderwijs te volgen, maar ik ben wél van mening dat deze nuance door beleidsmakers gemakkelijk wordt vergeten. Is het dus terecht dat wij ploegen en ploeteren, zweten en stressen om steeds hoger opgeleid te geraken? Ik laat die keuze aan het individu, maar tot hoe ver strekt de rol van de overheid?

Ik meen dat het kabinet haar rol overschat waar het het postsecundair onderwijs betreft. Met haar streven naar meer hoger opgeleiden (ten minste 50% van de beroepsbevolking, in 2010) en door de geplande verlenging van de leerplicht tot 18 jaar creëert ze mijns inziens een klimaat waarin het functioneren voor sommigen heel moeilijk wordt.

Ik doel allereerst op de mensen die cognitief wat minder gefortuneerd zijn, die hun middelbare school met veel moeite zijn doorgekomen en die graag aan de slag willen – aan het werk. Een statistisch gegeven alleen (lager opgeleiden vinden gemiddeld minder snel een baan) vind ik onvoldoende rechtvaardiging om deze individuen hun vrije keuze te ontnemen.

Daarbij lijkt het kabinet zich niet te beseffen dat onderwijs in sterke mate een positioneel goed is: de waarde ervan is afhankelijk van de hoeveelheid onderwijs die anderen hebben genoten. De Boston Consulting Group (2006) rekende vorig jaar al uit dat er een overschot is aan hoger opgeleiden, welke alleen maar lijkt toe te nemen. Het gevolg: hoger opgeleiden zijn in hoge mate (BCG spreekt over aantallen tussen de 30-50%) gedwongen een baan te accepteren onder hun scholingsniveau en verdrukken zo de lager opgeleiden van hun plek op de arbeidsmarkt.

‘More is less’ is in de reclamewereld een geaccepteerde slogan, maar de politiek moet er niets van hebben. Als deze geschetste trend zich voortzet dreigen we te worden gevangen in een oneindige race naar meer onderwijs. Hoe meer onderwijs de één geniet, hoe groter de achterstand van de ander. In dat licht bezien lijkt het door de overheid voorgeschreven ‘levenslang leren’ meer op een veroordeling dan op een kans…

(dit opiniestuk verscheen eerder in NRC Handelsblad en op ScienceGuide)

Samen in de regio



Veranderende wensen

Jongeren willen eigen keuzes maken, stellen hogere eisen aan inhoud en vorm van lessen en laten het merken als ze ontevreden zijn. Een beetje jongere haalt zijn informatie ‘googlend’ en ‘wappend’ van de digitale snelweg, leert Engels van zijn favoriete Amerikaanse tv-serie en is meer geïnteresseerd in de besognes van buitenlandse popsterren dan in binnenlandse aangelegenheden.

Het regionale opleidingscentrum (roc) speelt hier op in: competentiegericht onderwijs moet ruimte bieden aan individuele wensen en vermogens, etnische en culturele verscheidenheid krijgt een plekje in de lessen maatschappijleer, in zowel het theoretisch en praktijkonderwijs wordt verder gekeken dan naar Nederland alleen, enz. Kortom: de deelnemer is veeleisender geworden en deze eisen werken door in de onderwijsinhoud, - organisatie en -omgeving.

Ook vanuit de hoek van de werkgevers wordt gevraagd om verandering. Onze moderne economie is er immers een die in toenemende mate is gericht op de korte termijn, die verandering predikt en flexibiliteit verlangt. Werkgevers spelen daarop in en stellen, op hun beurt, dergelijke eisen aan hun personeel.

Het bedrijfsleven is voor de opleiding en vorming van haar personeel in sterke mate afhankelijk van het beroepsonderwijs. Met jaarlijks meer dan 138.000 gediplomeerden, zijn regionale opleidingscentra de grootste leveranciers van het Nederlandse bedrijfsleven en daarmee een zeer belangrijke partner. Je zou zelfs kunnen stellen dat die afhankelijkheid zelfs sterker is naarmate de beroepsopleiding specialistischer is. In het mbo, immers, worden deelnemers veelal opgeleid tot een specifiek beroep, in tegenstelling tot de meer op algemene (academische) vorming gerichte universitaire en hoger beroepsopleidingen. Hoe dan ook, economische verandering vergt verandering in bedrijven die op hun beurt verandering vragen van roc’s.

De regio aan zet

De door jongeren én bedrijven verlangde, veranderingen komen tot uiting in het overheidsbeleid aangaande het mbo; de overheid noemt haar beleidsnotitie Koers bve. Het regionale netwerk aan zet expliciet een “antwoord op maatschappelijke trends”. Voorop in dit beleid staan (het bevorderen van) flexibiliteit en (het vergroten van) autonomie van roc’s.

De achterliggende gedachte is dat onderwijsinstellingen zelf het snelst en het beste kunnen aanvoelen welke weg moet worden ingeslagen om te voldoen aan de behoeften van de arbeidsmarkt. Daarbij zijn roc’s wendbaarder en kunnen zij sneller op nieuwe ontwikkelingen inspelen dan men op centraal niveau kan bijbenen. De overheid zet dus een koers uit, die roc’s naar eigen inzicht moeten bevaren. Zij legt echter wel sterke nadruk op de rol die roc’s hebben om regionale actoren (‘stakeholders’; zie onder) te betrekken in hun beleid. Zowel in het vormgeven van hun beleid, bijvoorbeeld door het maken van prestatieafspraken, als in de uitvoeringspraktijk van hun beleid.

Deze gedachte krijgt vorm in de twee kernbegrippen ‘kaderstelling’ en ‘horizontalisering’: OCW beperkt haar rol tot het stellen van enkele strikte wettelijke kaders, waarbinnen de verdere invulling aan de onderwijsinstelling wordt overgelaten. Horizontalisering wil zeggen dat zowel deelnemers als professionals en bestuurders zich meer op elkaar dienen te richten dan op de overheid.

Veel elementen van de sturingsfilosofie wijzen dus in de richting van de regio. Onderstaand citaat geeft een indruk van de rol die de regio volgens OCW zou moeten innemen. “Voor roc’s betekent ‘regio’ in feite niet meer en niet minder dan ‘voor die instelling relevante omgeving’. Een bve-instelling bepaalt dus zelf wat haar regio is en wie haar partners daarin zijn. Dat kan bovendien per activiteit anders liggen. Daarom kunnen we beter spreken van ‘regionale netwerken, waarin roc’s partner zijn”. Bron: Ministerie van OCW (2004)

In de aldus gecreëerde regio dienen de partners, of: stakeholders, van de roc’s ook hun verantwoordelijkheden te kennen. Zo zijn…
  • Deelnemers verantwoordelijk voor het vormgeven van de eigen leerloopbaan;

  • Docenten voor het ondersteunen van de leerloopbaanplannen van de deelnemer;

  • Onderwijsinstellingen voor het geven van competentiegericht onderwijs en een goede aansluiting tussen vmb-mbo-hbo;

  • Bedrijven voor de beroepspraktijkvormingsplaatsen;

  • Gemeenten voor de educatie en voor deelnemers die zonder startkwalificatie het onderwijs hebben verlaten;
Enzovoorts.

Regionale netwerken, zo is de gedachte, zijn de bouwstenen par excellence van onze kenniseconomie. Ze hebben oog voor de specifieke bedrijvigheid in de regio, creëren een nieuwe vorm van nabijheid en identiteit, en scheppen de gelegenheid om van elkaar te leren.

Onderzoek

Het Max Goote Kenniscentrum wil deze ontwikkeling naar de regio in internationaal perspectief bezien. Centraal in het onderzoek staat hoe onze situatie in Nederland zich verhoudt tot de praktijk in andere Europese landen. Is het toenemende belang van de regio een uitvindsel van Nederlandse bodem of een internationale trend? Lopen we voorop in deze ontwikkeling of was de race al lang begonnen?

Voorts is een kritische kijk gewenst op het overheidsbeleid en de reacties uit het veld. Was Koers bve de stimulans die het poogde te zijn, of een voorbeeld van achterhaald overheidsbeleid in een reeds veranderde samenleving? In hoeverre voldoet het beleid aan de wensen van het veld en welke rol spelen bijvoorbeeld werkgevers en regionale autoriteiten zelf in deze ontwikkeling? Bestaat deze alleen in de hoofden van de beleidsmaker, of wordt deze ook zo ervaren door deelnemer en docent? Ook hier schuwen we het niet om over de grens te kijken: komt de nota-realiteit van andere landen overeen met de praktijk zoals we die daar zullen ervaren?

Kortom: een ambitieus onderzoek met een hoge mate van maatschappelijke relevantie. Genoeg vragen, het zoeken is naar antwoorden.

(dit artikel verscheen eerder op ScienceGuide)

De politieke lobby



De politieke lobby. Drie hele mooie woorden (vooral de ‘de’ vind ik één van de betere lidwoorden), maar wat houden ze in? Ik houd jullie nog even in spanning..

Tijdens onze inwerkperiode zijn ook wij, vanaf dag één, benieuwd geweest naar deze illustere bezigheid. We vroegen de lobbyisten de oren van het lijf, lazen alle lobbystukken die we konden vinden. Maar hoezeer we ook ons best deden, het werd ons niet duidelijk. We moesten er gewoon een keer bij zijn. Uiteindelijk, na vele slapenloze nachten, was het dan zo ver. Ik mocht met Koen mee, op gesprek bij Jacques Tichelaar, kamerlid van de PvdA.

Bij binnenkomst keken de beveiligers van de Tweede Kamer mij met argusogen aan. Maar na uitvoerige röntgenscan van de inhoud van mijn tas, nauwkeurige inspectie van de inhoud van mijn broekzak en betasting van mijn oksels, buik en ribbenkast, was het orl korrekt. Na een rondje langs de garderobe mocht ik mij naast Koen voegen die ons bij de balie aanmeldde. Een paar minuten later werden wij opgehaald door een charmante medewerker van de heer Tichelaar, die ons door de beveiligingssluizen sluisde. We namen de lift naar het cafetarium van de Tweede Kamer en werden geleid naar de tafel waarachter de heer Tichelaar had plaatsgenomen. De volksvertegenwoordiger was een flinke portie voedsel naar binnen aan het werken, maar wist de tijd te vinden ons hartelijk te begroeten.

Wat volgde was een uurdurende monoloog, af en toe onderbroken door een hap of slok, met kleine escapades waarin Koen vragen kon beantwoorden en een enkele opmerkingen kon maken. Na afloop legde Koen ons lobbystuk op tafel, zodat de heer Tichelaar (tegen die tijd reeds omgedoopt tot Sjaak), Sjaak onze punten nog eens rustig kon nalezen. Mijn inbreng in het gesprek? Ik heb veel geglimlacht, gefronst en geknikt – verticaal én horizontaal.

Sinds die tijd hebben zijn er meer gesprekken gevoerd en is er het nodige veranderd. Hoewel elk gesprek wordt afgestemd (door ons) en beïnvloed (door de gesprekspartner(s)), hebben we een duidelijke stijl te pakken. Stef en ik, verantwoordelijken voor de lobby, zijn ideale schoonzonen die onze gesprekspartners lief doch overtuigend op het hart drukken zich toch vooral te buigen over de punten die wij aandragen. U wil toch ook kwalitatief hoogwaardig onderwijs, gemotiveerde studenten, gedreven docenten en een florerende kenniseconomie? Nou dan! Luisteren!

In de laatste lobbyronde (over leerrechten) hebben we prettige gesprekken gevoerd met de ChristenUnie, het Christen Democratisch Appèl, de Partij van de Arbeid, Lijst Pim Fortuyn en de Socialistische Partij. Komende weken volgen GroenLinks, Democraten ’66 en de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie. Tot nu toe is er helaas veel draagvlak te vinden voor de leerrechtplannen van Rutte, maar gelukkig ook veel draagvlak voor onze aanpassingen op die plannen. Aan ons de uitdaging om alle partijen met hun gezicht één kant op te krijgen, zodat er genoeg draagkracht (lees:stemmen) is voor de moties die wij laten indienen. Ik heb er in ieder geval vertrouwen in dat de harde randen van het wetsvoorstel zullen worden bijgeschaafd. Of dat voldoende is om de kwaliteit van het onderwijs te garanderen, zal moeten blijken.

(dit stuk verscheen eerder in de Bonding)

Terugblik op een bewogen jaar



Het einde van het studiejaar zit er al weer aan te komen. Normaal zou ik nu bezig zijn met mijn laatste tentamens, misschien een herexamen, en troost vinden in het feit dat de zomer er weer aan komt. Maar ondanks dat ik plannen aan het maken ben voor de zomer, is alles anders, voelt alles anders.

Het is een bewogen jaar geweest, vol met discussieren, debatteren en demonstreren. Veel dingen zijn me meegevallen: de open opstelling van veel Tweede Kamerleden; de brede politieke steun die we kregen voor onze initiatieven, ook van minder voor de hand liggende partijen; én de bereidwilligheid van zowel vakbonden (CNV, FNV) als bedrijfsleven (MKB) om ons bij te staan in onze kritiek op leerrechten.

Maar veel is me ook tegengevallen. Zo was ik oprecht geschokt door de opstelling van de belangenbehartiger van het Nederlands bedrijfsleven, VNO-NCW die zich geenszins hard maakte voor meer investeringen in het hoger onderwijs; verbaasd door de PvdA die met hun pleidooi voor marktwerking in het onderwijs de VVD rechts inhaalde; én dan had je natuurlijk Mark Rutte..

Aan het begin van het studiejaar schreef ik in mijn column over mijn afspraak met Mark Rutte: Rutte kondigde plechtig het einde aan van het loze woordentijdperk (gekenmerkt door zinnen als “Ik neem het mee” en “We zullen er naar kijken”). Voortaan, zo beloofde Rutte, zal hij concrete toezeggingen doen. De loze woorden hebben zich echter ongestoort vermenigvuldigd, en de toezeggingen zijn loos geweest als altijd. Rutte heeft vooral bewezen een handige jongen te zijn, soepel op het eerste gezicht, glad bij nadere inspectie.

Al met al kan ik terugblikken op een jaar waarin we de LSVb goed op de kaart hebben gezet: studentenhuisvesting is weer een thema dat speelt onder beleidsmakers; studenten zijn gecompenseerd voor de gestegen zorgpolis en/of goedkoop verzekerd via onze collectieve verzekering; en medezeggenschap op de universiteit is weer nieuw leven ingeblazen.

Er moet natuurlijk nog veel werk gedaan worden, maar daar laat ik mij niet door ontmoedigen. Ik heb gegeven wat ik kan en geef het stokje door aan een vers nieuw bestuur dat er weer vol enthousiasme tegenaan gaat. Aan een bestuursjaar komt een einde, maar de LSVb gaat door.

(deze column verscheen eerder in Memory Magazine)

Dagboek

(Het onderstaande is een samenvoeging van een weekweblog op Linkse Lente)



6-6-06 Linker- en rechterhand

Dit weekend was de LSVb op beleidsweekend. Samen met mijn bestuursleden en de bestuurders van onze lokale bonden, heb ik mij drie dagen lang beziggehouden met navelstaren. Zeer constructief navelstaren, dat wel: een zestal groepen komt aanstaande woensdag met een uitgewerkt plan ter bevordering van het functioneren van de vakbond. De plannen variëren van een idee voor het verbeteren van het contact tussen lokale bonden en het landelijk bestuur tot een plan om de politieke lobby naar een hoger niveau te tillen.

Hoewel ik het een bijzonder nuttig weekend vond, en gezellig ook, was er toch iets anders waar mijn gedachten naar uit gingen: leerrechten. Tussen het campagnevoeren door heeft Mark Rutte namelijk een ingrijpend plan gemaakt om het hoger onderwijs te hervormen. Elk plan kent haar goede en zwakke punten. Goede punten van dit plan zijn de uitgangspunten en de titel: ‘méér flexibiliteit, méér keuzevrijheid, meer kwaliteit’. Zwakste punt is
de inhoud: uitvoering van het plan zal leiden tot afname van de
flexibiliteit, keuzevrijheid en kwaliteit van het Nederlands hoger
onderwijs, alsmede tot een serieuze bedreiging van de toegankelijkheid van ons stelsel.

Dit alles zou niet bijzonder zijn geweest als de kamer het plan niet massaal zou steunen. Dat doet zij echter wel: hoewel partijen als de ChristenUnie, SGP, SP en GroenLinks zich zeer kritisch uitlaten, kan Rutte op brede steun rekenen in de vorm van een gelegenheidscoalitie van PvdA, VVD en CDA.

Het onderwijsveld, echter, maakt zich grote zorgen. Niet alleen zien studenten het niet zitten, ook de universiteiten wijzen de plannen massaal af. Daarnaast hebben veel partijen de afgelopen
weken van zich laten horen: zowel FNV Abvakabo, CNV Onderwijsbond als MKB Nederland lieten zich kritisch uit. Als klap op de vuurpijl heeft de Raad van State vernietigend geoordeeld over de plannen.

Dat alles mag Rutte’s pret niet drukken, want vandaag worden de leerrechten definitief behandeld in de plenaire vergadering van de Tweede Kamer en zoals het er naar uit ziet zal zijn voorstel het gewoon halen.

In situaties als deze moet ik vaak denken aan een column van Kees Schuyt over publiek onbehagen. In deze column schijft hij over een interview met de Franse socioloog Pierre Bourdieu. Ik citeer Schuyt: “De linkerhand bestaat uit alle werkers die uitvoering geven aan de typische publieke taken van de
staat (..) aan de rechterhand van de staat ziet Bourdieu de
verantwoordelijke politici, parlementsleden, hoge ambtenaren van de belangrijkste ministeries (..) Het hopeloze is, zegt Bourdieu, dat de rechterhand niet meer weet en zelfs niet meer wil weten wat de linkerhand doet. (..) De plannen die van de rechterhand van de tekentafels komen blijken keer op keer niet aan te sluiten bij de praktijkinzichten en de reëele ervaringen van de linkerhand.”

Ik ben geen voorstander van het cliché van de ‘kloof tussen burger en overheid’, maar ken geen beter voorbeeld dan leerrechten.


7-6-06 Duivels stil

De datum, 6-6-06, bleek kenmerkend voor de gang van zaken tijdens de plenaire behandeling van leerrechten. Het was duivels stil in de plenaire zaal van de Tweede Kamer, voor deze gelegenheid gevuld met welgeteld negen parlementariers.

Al waren Kamerleden “niet geheel overtuigd”, plaatsten zij “vraagtekens”, of was een en ander “niet ideaal”, de positieve stemming overheerste. Op een enkele (linkse) sneer na werd Mark Rutte dan ook poeslief behandeld en werd op zijn plannen instemmend gereageerd.

Een grote dag voor de VVD die het leerrechtenplan in de Volkskrant van vandaag een “Darwinistische stap” noemde (wat ik maar beschouw als het liberale equivalent van “revolutie”). Een zwarte dag voor de 550.000 studenten die Nederland (nu nog) telt, alsook voor de tienduizenden docenten die spoedig geconfronteerd zullen worden met opgejaagde studenten die alleen nog oog hebben voor studiepuntjes.

Natuurlijk zijn we er nog niet: de Eerste Kamer moet nog instemmen met het plan dat door de Raad van State (ik noemde het gister al) is bestempeld als “strijdig met haar uitgangspunten”. Daarbij zal, mede dankzij onze inzet, nog het nodige aan het plan bijgeschaafd worden. De 15 moties en 32 ingediende amendementen geven een goed beeld van de orde van grootte van de aanpassingen. Mijns inziens geeft dit ook aan dat er nog al wat mankeert aan het plan, wat niet zo maar te herstellen valt met een pleistertje hier en een verbandje daar. Met die gedachte wacht ik de stemming af.


9-6-06 Donkerbruin vermoeden

“Als je eenmaal bezig bent, kan je maar beter doorpakken”, zal hij gedacht hebben. Wat zijn gedachten ook mogen zijn geweest, Rutte draaft door. Gistermiddag presenteerde onze demissionaire staatssecretaris reeds deel twee van zijn onderwijshervorming: de Wet op het Hoger Onderwijs en Onderzoek (WHOO). Met mooie termen als ‘governance’, ‘vericale verantwoording’, ‘stakeholders’ en ‘zorgplichten’ probeerde hij het handjevol aanwezige journalisten in te pakken. Helaas voor hem werd met de presentatie van de WHOO ook het bijbehorende advies van de Raad van State bekend. Daarin werden zijn mooie termen verkruimeld, middels oordelen als “De Raad twijfelt over het nut en de noodzaak van de WHOO, zoals die thans wordt voorgesteld” en “De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet niet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal dan nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden”.

Ik kan niet zeggen dat het advies komt als een grote verrassing. Kernpunt van Rutte’s wet is deregulering en de daarmee verbonden ‘zorgplichten’. Middels het schrappen van regels (25% minder; dat nemen ze op het ministerie zéér letterlijk) en het formuleren van zorgplichten waar onderwijsinstellingen zelf invulling aan moeten geven, tracht Rutte de ‘regeldruk’ te verlichten. Helaas is de praktijk anders. Door de afname van wettelijke kaders, moeten hogescholen en universiteiten zelf de gaten opvullen. Als leidraad wordt hen daarvoor zorgplichten opgelegd, geformuleerd in termen als ‘degelijk bestuur’ of ‘volledige medezeggenschap’. Wát dan precies degelijk bestuur is of in welke vorm een medezeggenschap volledig is, dat is aan de desbetreffende instelling om uit te vechten. Of beter gezegd: dat wordt beslecht tussen het College van Bestuur en de medezeggenschapsraad. Hiermee raakt Rutte een gevoelig punt van de LSVb: een goede organisatie van medezeggenschap is op deze manier het resultaat van onderhandelingen tussen een ervaren club van bestuurdes (het CvB) en een stel enthousiaste jongeren (de jaarlijks wisselende studentenraad). Het behoeft geen uitleg in wiens voordeel die beslissing zal vallen. Zijn mooie woorden ten spijt is de student dus nog altijd overgeleverd aan de goede wil van bestuurders.

Naast bovengenoemde punten van kritiek sprak de Raad van State zich uit over “de uit de zorgbepaling voortvloeiende rechtsonzekerheid”, concludeerde dat “niet duidelijk is welke visie op de toekomst van het gehele stelsel ten grondslag ligt aan de voorgestelde structuurwijziging” en herinnerde Rutte nog eens fijntjes aan het eerdere advies over leerrechten: “De Raad heeft op 7 oktober 2005 advies uitgebracht over de invoering van leerrechten, die in de WHOO niet wezenlijk anders zijn geregeld dan in het eerdere wetsvoorstel. De Raad handhaaft de bezwaren die hij in zijn advies heeft verwoord.” Ik geef toe: ik kan nog regels en regels doorgaan met het citeren van het advies, ik voel mij sterk gesteund door de Raad van State, dit geeft hoop. Toch heb ik een donkerbruin vermoeden dat Rutte iets anders met deze bundel papier gaat doen, dan het lezen.


10-6-06 Zwarte gat

Met het weekend, komt een einde aan wat voor mij een zeer hectische week was. Waar ik begin van de week nog bij aan het komen was van de uitslag van de VVD-verkiezingen, moest ik dinsdag slikken dat leerrechten er echt lijken te gaan komen en mocht ik donderdag kennisnemen van weer een nieuw project van onze ambitieuze staatssecretaris. De samenzweringsdenker in mij ziet deze samenloop van omstandigheden als misbruik makend van het feit dat mijn bestuursjaar er binnenkort op zit, mijn meer realistische kant houdt het bij de constatering dat het zogenaamde ‘zwarte gat’ na mijn aftreden des te groter zal zijn; het lijkt een understatement, maar het wordt weer wennen als ik volgend jaar als student aan de slag ga.

Doe maar niet



Vandaag neemt de Kamer een belangrijk besluit over het al dan niet invoeren van leerrechten in het hoger onderwijs. Leerrechten zijn persoonsgebonden rechten van studenten op door de overheid gefinancierd onderwijs. Een 'rugzakje' met een periode waarin de student recht heeft op het (lage) wettelijke collegegeld en de universiteit of hogeschool op bekostiging. Meer flexibiliteit, keuzevrijheid, kwaliteit en minder administratieve lasten, dat beoogt het kabinet met deze zeer ingrijpende verandering. Maar worden deze doelen ook bereikt? Universiteiten en studenten menen van niet.

Universiteiten hebben onlangs het bachelor-mastersysteem ingevoerd. Deze fundamentele verandering legde de basis voor flexibiliteit, vernieuwing en kwaliteitsverbetering. Leerrechten dragen daar niets aan bij: het zet studenten nog meer op rantsoen en werpt tal van financiële beperkingen op. Onder de modieuze vlag van marktwerking wordt studeren steeds meer consumeren en de student onderwijsconsument.

Met het opleiden van jonge mensen voor de wetenschap, met bevlogen en betrokken docenten of excellent onderwijs heeft dit niets te maken. De zo vurig gewenste kennissamenleving komt er geen stap mee dichterbij. Het resultaat van leerrechten belooft vooral bureaucratie, een systeem van rekenarij waarvan studenten en universiteiten de dupe worden. Het forse aantal amendementen en moties is tekenend voor de complexiteit en de vele losse eindjes.

Inmiddels lijken de leerrechten er hoe dan ook te komen. Argumenten en waarschuwingen uit het hoger onderwijs en de scherpe kritiek van de Raad van State tellen niet. De afgelopen jaren is het bekostigingssysteem van universiteiten vaker veranderd. Voor het eerst lijkt een systeem te ontstaan dat absoluut niet aansluit bij de manier waarop studenten studeren en keuzevrijheid nodig hebben. Waar is het draagvlak voor deze stelselherziening? Het ontbreekt bij studenten, bij docenten, bij universiteiten. Deze situatie is even uniek als treurig.
Wij hopen dat niet het politieke spel, maar de behoefte van de samenleving de leidraad voor de beslissing wordt.

(Dit gezamenlijk opiniestuk van Ed d'Hondt (VSNU), Evelien van Roemburg (ISO) en mijzelf verscheen eerder in de Volkskrant)

Jij bepaalt!



Eind maart 2005 solliciteerde ik voor het bestuur van de Landelijke Studenten Vakbond. Naast dat ik het zag als een uitdaging en een enorm leerzame ervaring kwam mijn motivatie voort uit mijn onvrede met medezeggenschap in de wereld van het onderwijs. Vanuit mijn ervaring in de opleidingscommissie van mijn studie zag ik een slecht functionerende facultaire studentenraad en had ik geen flauw benul waar de centrale studentenraad zich mee bezig hield. Omdat ik het onmogelijk achtte de medezeggenschapsstructuur van binnen uit te veranderen, dacht ik deze kwesties het beste aan te kunnen pakken bij een landelijke studentenbond.

Al voor mijn verkiezing als voorzitter werd mij een interview afgenomen, waarin ik mijn mening niet onder stoelen of banken schoof. De facultaire raden moesten worden afgeschaft; daar zaten alleen maar schreeuwerige studenten in zonder bestuurservaring. Zo werd het opgetekend. Wat miste in het artikel was wat er voor in de plaats moest komen: instemmingsrecht voor opleidingscommisssies over de eigen OER en de creatie van een nieuw inter-opleidingsniveau, waarop besloten zou worden over zaken die meerdere opleidingen aangaan. En bovenal: een pleidooi voor ongedeelde raden.

Sinds de aanvang van mijn bestuursjaar is mijn beeld over de medezeggenschap flink genuanceerd. Mensen met veel kennis en ervaring toonden mij ook de goede voorbeelden en lieten me de enorme verschillen zien tussen universiteiten en hogescholen. Het belangrijkste wat ik leerde: een goede medezeggenschap staat of valt bij de goede wil van het College van Bestuur.

Op dit moment zijn de ambtenaren van de staatssecretaris druk schrijvende aan een nieuwe Wet op het Hoger Onderwijs en Onderzoek (met de feestelijke titel ‘WHOO’) waarin hogescholen en universiteiten grotendeels vrij worden gelaten hoe ze de medezeggenschap indelen. Kiezen ze voor opleidingscommissies, school- of facultaire raden en een centrale medezeggenschapsraad? Schaffen ze de opleidingscommissie af of juist de facultaire raad? Kiezen ze voor gedeelde of ongedeelde raden? Zelfs de rechten en plichten van raden komen ter onderhandeling op tafel. Al deze vragen moeten beantwoord worden door het CvB én de centrale medezeggenschapsraad. Dat wordt een zware last voor de medezeggenschap, kan je zeggen. Ik hou het op een enorme kans om de boel eens goed te regelen, om je rechten en plichten voor eens en altijd keihard te verankeren. In ieder geval staat er veel op het spel.

In deze context bevinden we ons nu. De medezeggenschap zal de komende jaren een belangrijke rol hebben in het bepalen van haar eigen toekomst. Moeilijke tijden, spannende tijden, tijden vol met mogelijkheden. Wie gaan deze zaken de komende tijd aanpakken? Dat bepaalt de kiezer, de student. Dat bepaal jij!

Een nieuwe wind



Begin mei zal de Tweede Kamer zich uitspreken over de onderwijshervormingsplannen van staatssecretaris Rutte, de beruchte ‘leerrechten’. ABVAKABO FNV en de Landelijke Studentenvakbond (LSVb), belangenbehartigers van respectievelijk docenten en studenten in het hoger onderwijs, maken zich grote zorgen over deze plannen.

Er waait een nieuwe wind door het Hoger onderwijs. Een wind waar wij niet altijd even blij mee zijn. Het hoger onderwijs wordt steeds meer gezien als een markt waarin de student de klant is en de docent de verkoper. Wij zien de relatie tussen studenten en docenten echter heel anders. Docenten moeten geen kennis verkopen, maar inspirerend onderwijs geven. Studenten kopen geen kennis, maar zijn actief in een kennisinstelling; zij studeren en werken samen met docenten aan de ontwikkeling van nieuwe kennis. Misschien lijken deze opvattingen op hetzelfde neer te komen, maar niets is minder waar.

Als het hoger onderwijs bestaat uit een verzameling van kenniswinkels dan is de conclusie snel getrokken. Zodra de consument het product immers niet aanstaat, gaat hij naar een andere winkel toe. De kenniswinkels zijn voor hun voortbestaan afhankelijk van het aantal klanten dat zij binnenhalen. Met het vertrek van de consument verliest de kenniswinkel een potentiële bron van inkomsten. Reeds binnengehaalde klanten zullen niet snel afhaken; daarvoor zijn de belangen te groot. Welke student staat er immers om te springen om over te stappen naar een nieuwe universiteit of hogeschool, door deze overstap studievertraging op te lopen en opnieuw op zoek te moeten naar een kamer en een sociaal netwerk?

Universiteiten en hogescholen doet er daarom goed aan om hun PR in te stellen op het binnenhalen van zoveel mogelijk studenten. In de praktijk betekent dit dat potentiële studenten worden getrokken met glossy folders en mooie gadgets. De onderwijsinhoudelijke kant van het verhaal wordt naar de achtergrond gedreven of verpakt in mooie oneliners die ver afstaan van de realiteit. Onvermijdelijk brengt dit een verschuiving van financiële middelen met zich mee, waardoor er minder geld beschikbaar is voor de primaire taak van het bieden van onderwijs. Daarnaast zullen bestuurders van instellingen een sterke neiging voelen om interne kritiek te smoren. Op de Radboud Universiteit werd reeds de digitale universiteitskrant ontoegankelijk gemaakt voor buitenstaanders. Bij de Hogeschool Inholland werd kritiek van de studenten op de onderwijsinstelling niet gewaardeerd. Dit staat haaks op een onderwijsinstelling waarin docent en student samen het onderwijs maken.

Wij geloven niet dat de vermarkting een kwaliteitsimpuls geeft aan het onderwijs. Wij willen dat er weer ruimte wordt gegeven aan docenten om inspirerend onderwijs te geven. Wij willen de ruimte voor studenten en docenten om samen te werken aan het verbeteren van de kwaliteit van het onderwijs. Kortom: Wij willen een einde aan het commerciële denken in het hoger onderwijs waarin concurrentie prioriteit krijgen boven kleinschalig, efficiënt en inspirerend onderwijs met goede kwaliteit. Het leerrechten-systeem zal niet de gewenste kwaliteitsimpuls geven. Laten we dus ophouden met creëren van schijnoplossingen en op zoek naar een beleid dat wél de broodnodige stimulans geeft aan het hoger onderwijs.

(dit gezamenlijk opiniestuk van Arno Lammeretz (ABVAKABO FNV) en mijzelf verscheen eerder in het Reformatorisch Dagblad)

Vuur in de collegezaal



Aan het begin van mijn jaar gaf ik een interview aan het NRC. Vuur in de collegezaal was de titel, Studenten willen graag harder werken de subtitel. Met de hele leerrechtendiscussie is dát punt volledig ondergesneeuwd, terwijl dat toch de essentie raakt van waar de LSVb zich hard voor maakt.

Natuurlijk moet onderwijs toegankelijk zijn voor studenten; mogen financiele overwegingen geen rol spelen in de studiekeuze en is het de rol van onze overheid om te voorzien in de randvoorwaarden voor een goede studietijd: een bord op tafel, een dak boven het hoofd. Maar daarmee is ook een tegenprestatie van de student vereist. Natuurlijk dien je óók op te komen dagen bij je werkgroepen, de stof bij te houden en je in te zetten voor je studie.

De vraag is: hoe verenig je deze eisen, waar ligt de balans tussen wat je een student moet bieden en wat je van hem of haar kunt verlangen? Dáár zou de discussie over gevoerd moeten worden en dát is ook precies waar Rutte de fout in gaat.

Rutte heeft maanden met de Kamer onderhandeld over hoe lang studenten mogen uitlopen op hun studie; over welke financiele prikkels er voor zullen zorgen dat ze sneller studeren; en over hoe je universiteiten laat ‘voelen’ wat studenten vinden van de onderwijskwaliteit.

Daarmee schiet hij volledig voorbij aan de kern van de zaak: hoe voorkóm je dat studenten studievertraging oplopen; en hoe verbeter je samen met studenten de kwaliteit van het onderwijs. Natuurlijk is daar geen eenduidig antwoord op te formuleren, natuurlijk moet daar onderzoek naar worden gedaan. Maar Rutte doet geeneens een poging. Het eerste wat in mij opkomt is: begeleid studenten in hun studiekeuze, verbeter de kwaliteit van de studiebegeleiding en geef de medezeggenschap de instrumenten die ze nodig hebben om problemen te signaleren en op te lossen.

Vervolgens kun je praten over het stimuleren van talent: hoe zorg je dat studenten die méér willen ook de uitdaging vinden die ze zoeken? Ik denk dat de oplossing niet ligt in het aanbieden van ‘topmasters’ (als het aan Rutte ligt, met bijbehorende ‘topcollegegelden’) of het invoeren van een strenge selectie aan de poort. Het is niet zo ingewikkeld: maak het mogelijk voor studenten om extra vakken te volgen bovenop hun normale curriculum, ook aan een andere universiteit. Organiseer wekelijks een extra bijeenkomst voor studenten die meer verdieping willen. Laat ze een extra boek lezen en erover discussiëren met hun docent.

Pak de praktische probleempjes aan: maak een rooster op maat, verschuif een tentamendatum of biedt een mondeling aan als dat zo beter uitkomt. Het zijn vaak de kleine dingen die studenten frustreren en belemmeren. Het zijn even zo goed vaak de kleine dingen die hen stimuleren en motiveren.

Met zijn mooie woorden ‘excellentie’, ‘efficiëntie’ en het ‘ontplooien van talent’ is Rutte nooit verder gekomen dan wat luchtbalonnetjes. Naarmate het jaar vordert wordt het beeld scherper: Mark Rutte - veel praatjes, weinig daden.

(dit opinieartikel verscheen eerder op ScienceGuide)