Vuur in de collegezaal



Aan het begin van mijn jaar gaf ik een interview aan het NRC. Vuur in de collegezaal was de titel, Studenten willen graag harder werken de subtitel. Met de hele leerrechtendiscussie is dát punt volledig ondergesneeuwd, terwijl dat toch de essentie raakt van waar de LSVb zich hard voor maakt.

Natuurlijk moet onderwijs toegankelijk zijn voor studenten; mogen financiele overwegingen geen rol spelen in de studiekeuze en is het de rol van onze overheid om te voorzien in de randvoorwaarden voor een goede studietijd: een bord op tafel, een dak boven het hoofd. Maar daarmee is ook een tegenprestatie van de student vereist. Natuurlijk dien je óók op te komen dagen bij je werkgroepen, de stof bij te houden en je in te zetten voor je studie.

De vraag is: hoe verenig je deze eisen, waar ligt de balans tussen wat je een student moet bieden en wat je van hem of haar kunt verlangen? Dáár zou de discussie over gevoerd moeten worden en dát is ook precies waar Rutte de fout in gaat.

Rutte heeft maanden met de Kamer onderhandeld over hoe lang studenten mogen uitlopen op hun studie; over welke financiele prikkels er voor zullen zorgen dat ze sneller studeren; en over hoe je universiteiten laat ‘voelen’ wat studenten vinden van de onderwijskwaliteit.

Daarmee schiet hij volledig voorbij aan de kern van de zaak: hoe voorkóm je dat studenten studievertraging oplopen; en hoe verbeter je samen met studenten de kwaliteit van het onderwijs. Natuurlijk is daar geen eenduidig antwoord op te formuleren, natuurlijk moet daar onderzoek naar worden gedaan. Maar Rutte doet geeneens een poging. Het eerste wat in mij opkomt is: begeleid studenten in hun studiekeuze, verbeter de kwaliteit van de studiebegeleiding en geef de medezeggenschap de instrumenten die ze nodig hebben om problemen te signaleren en op te lossen.

Vervolgens kun je praten over het stimuleren van talent: hoe zorg je dat studenten die méér willen ook de uitdaging vinden die ze zoeken? Ik denk dat de oplossing niet ligt in het aanbieden van ‘topmasters’ (als het aan Rutte ligt, met bijbehorende ‘topcollegegelden’) of het invoeren van een strenge selectie aan de poort. Het is niet zo ingewikkeld: maak het mogelijk voor studenten om extra vakken te volgen bovenop hun normale curriculum, ook aan een andere universiteit. Organiseer wekelijks een extra bijeenkomst voor studenten die meer verdieping willen. Laat ze een extra boek lezen en erover discussiëren met hun docent.

Pak de praktische probleempjes aan: maak een rooster op maat, verschuif een tentamendatum of biedt een mondeling aan als dat zo beter uitkomt. Het zijn vaak de kleine dingen die studenten frustreren en belemmeren. Het zijn even zo goed vaak de kleine dingen die hen stimuleren en motiveren.

Met zijn mooie woorden ‘excellentie’, ‘efficiëntie’ en het ‘ontplooien van talent’ is Rutte nooit verder gekomen dan wat luchtbalonnetjes. Naarmate het jaar vordert wordt het beeld scherper: Mark Rutte - veel praatjes, weinig daden.

(dit opinieartikel verscheen eerder op ScienceGuide)

Dat kan béter



De ‘leerrechtenwet’ van staatssecretaris Rutte, die in mei definitief wordt behandeld in de Tweede Kamer, kan inhoudelijk veel beter, stellen de Landelijke Studentenvakbond LSVb en MKB-Nederland. Leerrechten – een constructie waarmee de bekostiging de student volgt, die onderwijs ‘inkoopt’ – moeten ook flexibel inzetbaar worden voor korte periodes. Daarbij moeten leerrechten langer dan maximaal één jaar kunnen worden bewaard; ‘een leven lang leren’ is immers het credo. Tot slot moeten in de leerrechtenwet stevige garanties komen voor goede beroepskeuzevoorlichting en begeleiding van studenten in het onderwijs. Hier zijn zowel studenten als de arbeidsmarkt bij gebaat, benadrukken de LSVb en MKB-Nederland.

MKB-Nederland, de werkgeversorganisatie voor het midden- en kleinbedrijf, geldt als belangrijke afnemer van het hoger onderwijs. Gemiddeld vindt 40 tot 50 procent van de studenten een baan in het mkb. MKB-Nederland is voorstander van invoering van een systeem van leerrechten. De LSVB daarentegen is géén voorstander van de invoering hiervan. Als de leerrechtenwet echter wordt aangenomen zijn de LSVb én MKB-Nederland gezamenlijk van mening dat de doelstellingen van de leerrechtenwet – meer flexibiliteit en keuzevrijheid en betere kwaliteit van het onderwijs – in het huidige voorstel te weinig worden gerealiseerd. De wet kan op een aantal punten een stuk beter.

In vergelijking met de huidige situatie is er als de leerrechten zijn ingevoerd eerder een beperking van de flexibiliteit te verwachten dan een vergroting daarvan. Zet een student het leerrecht in, dan betaalt deze het wettelijk vastgesteld collegegeld; zijn de leerrechten al volledig gebruikt, dan betaalt de student een hoger collegegeld. Naar schatting zal dit collegegeld 8.000 tot 15.000 euro bedragen. Beëindigt een student op dit moment zijn studie nog tijdens het studiejaar, dan krijgt deze het te veel betaalde collegegeld terug. Leerrechten daarentegen worden eenmalig ingezet en is de student vervolgens kwijt. Een foute studiekeuze kost de student daarmee straks minstens een half jaar bekostiging.

Leerrechten bieden juist de mogelijkheid om het concept van een leven lang leren daadwerkelijk te ondersteunen. Voor de arbeidsmarkt is het van belang om resterende leerrechten te kunnen bewaren en (jaren) later alsnog te kunnen inzetten voor bijscholing of omscholing. In de huidige plannen wordt daar nauwelijks in voorzien. Dit is een gemiste kans om het ‘leven lang leren’ vorm te geven en te stimuleren, vinden MKB-Nederland en de LSVb.

Hoeveel leerrechten de student ook ‘over’ heeft, er mag in het huidige voorstel maximaal één jaar worden bewaard! Daarnaast kunnen leerrechten alleen worden ingezet voor studieonderdelen van een half jaar; bij een kortere inzet zijn studenten de leerrechten voor een half jaar kwijt. Dit stimuleert studenten weinig om de studie zo effectief mogelijk af te ronden.

Daarom moeten studenten alle resterende leerrechten kunnen behouden, benadrukken de LSVb en MKB-Nederland. Niet voor niets wordt gesproken over het persoonlijk leerrecht. Een student moet beloond worden voor een snelle effectieve studie, een persoonlijke prestatie die staat voor een werkhouding die in mkb-bedrijven hogelijk wordt gewaardeerd.

Voor echte flexibiliteit, grotere inzet en keuzevrijheid is dus meer nodig dan nu in het voorstel van Staatssecretaris Rutte wordt geboden. De LSVb en MKB-Nederland willen dat de leerrechten worden opgedeeld in kleinere eenheden, inzetbaar voor korte periodes, zodat een gerichte tijdelijke overstap naar een andere hogeschool of universiteit geen negatieve financiële gevolgen met zich meebrengt. Vooral in de eindfase van de studie zijn kleinere leerrechteenheden essentieel, net als later tijdens het uitoefenen van de functie.

De eerste twee jaren zouden studenten eventueel leerrechten van een jaar kunnen krijgen, aangezien studenten na een goede keuze meestal niet van hogeschool of universiteit veranderen. Voor universiteiten en hogescholen levert dat een vaste financiële buffer op. Daarbij moet wel een uitzondering worden gemaakt voor studenten die door een foute keuze binnen een half jaar van studie veranderen. In het derde en vierde jaar moeten bij de leerrechten kleinere eenheden mogelijk zijn, dit stimuleert dat studenten bewuste keuzes te maken voor studieonderdelen aan bepaalde hogescholen of universiteiten.

MKB-Nederland en de LSVb vinden het bovendien van belang dat hogescholen en universiteiten hierdoor ‘kleur moeten bekennen’ en zich meer specialiseren, opdat studenten vakken volgen waar die het meest optimaal worden gegeven. Op deze manier gaat de kwaliteit van het hoger onderwijs ook daadwerkelijk omhoog.

Kwaliteit staat of valt ook met een goede begeleiding bij de studiekeuze. Studenten moeten daarom al in een vroegtijdig stadium van het voortgezet onderwijs worden begeleid naar de juiste studie- en beroepskeuze. Dat kan alleen door heldere en onafhankelijke voorlichting, inclusief een zo goed mogelijk beeld van de arbeidsmarktperspectieven van de verschillende beroepen. Keuzes van studenten en behoeften van de arbeidsmarkt lopen immers steeds meer uiteen. Juist voor deze beroepskeuzevoorlichting en -begeleiding moeten in de wet stevige garanties komen, benadrukken de LSVb en MKB-Nederland.

Beide organisaties roepen de Tweede Kamer op om wanneer ze instemmen met deze grote hervorming , ook alles uit dit systeem te halen wat er in zit!

(dit gezamenlijk opiniestuk van Gertrud Visser–van Erp en mijzelf verscheen eerder in De Volkskrant)

Er blijft maar één voorstander over



Tijd voor wat burgerlijke ongehoorzaamheid. Hoewel ik accountancy en intermediairs interessante thema’s vind, wijd ik deze column liever aan iets wat álle studenten aangaat: leerrechten. Al een jaar zoemt de term rond. Eerst was de algemene opvatting “Het waait wel over”, later veranderde dat in “Het zal mijn tijd wel duren”. De meeste studenten weten wel dat er iets in de lucht hangt, maar weten zij ook dat gepland staat leerrechten al in 2007 in te voeren?

Wat zal dat betekenen voor jou als student? Een kort overzicht. Leerrechten in acht woorden: het recht om te betalen voor je onderwijs; Een leerrecht is het recht om een half jaar te studeren en daar het wettelijke collegegeld voor te betalen. Bij aanvang van je studie krijg je genoeg leerrechten om één bachelor en één master te doen, met een jaar uitloop. Doe je er langer over dan bepaalt je hogeschool of universiteit voor je hoeveel je aan collegegeld gaat betalen. Hoewel daar eerst een maximum op zou komen te liggen van € 3.000, is de hoogte alsnog vrijgegeven (om een indicatie te geven: in Leiden wordt op dit moment voor sommige studies € 10.000 gevraagd aan 30 plussers en buitenlandse studenten).

Belangrijk om te beseffen is dat deze leerrechten losstaan van je studiefinanciering. De prestatiebeurs bedraagt nog altijd hetzelfde en duurt maximaal vier jaar – onafhankelijk van hoe lang je studeert en hoeveel collegegeld je betaalt. Daarnaast worden schakeljaren (hbo-wo) niet bekostigd, moet je je tweede studie zelf betalen en ben je voor bestuurswerk of ziekte aangewezen op je school of universiteit.

“Mooi kut”, hoor ik je denken. Is er nog hoop? Die is er. Het wetsconcept leerrechten wordt deze maand behandeld in de Tweede Kamer en de kamerleden houden hun oren gespitst. Hoewel de LSVb het voortouw neemt in het protest tegen leerrechten, versterkten vorige maand ook de universiteiten hun verzet en uitten de hogescholen hun bedenkingen. Ook onder docenten en studiedecanen morrelt het. Zo langzamerhand blijft er maar één iemand over die voorstander is van de plannen: de bedenker, Mark Rutte zelf. Misschien wordt het tijd dat hij zich stort op zijn nieuwe toekomst als partijleider van de VVD. En Mark, vergeet je niet je leerrechtplannen met je mee te nemen als je weggaat?

(deze column verscheen eerder in Memory Magazine)

Kenniseconomie?



Ik bespeur een sterke inconsistentie tussen het doel van de overheid op het gebied van het onderwijs en de middelen die ze daarvoor inzet. Nederland is immers een kennisland, met een kennissamenleving en een kenniseconomie en moet het gevecht aangaan met de internationale concurrentie. Hoe? Door studenten zoveel mogelijk af te knijpen; de gefinancierde studieduur te verkorten; de collegegelden te verhogen; en door de mogelijkheid voor specialisatie binnen de studie en relevante activiteiten buiten de studie in te perken.

Nederland geeft als percentage van het Bruto Binnenlands Product in vergelijking met andere landen zeer weinig uit aan het hoger onderwijs. De uitgaven van Nederland liggen lager dan alle omringende landen en dan zowel het OESO- als EU-gemiddelde. Dit terwijl Nederlandse studenten meer aan hun studie bijdragen dan studenten in de meeste andere landen. De kosten stijgen ruim boven het EU- en OESO-gemiddelde, slechts de Verenigde Staten vragen een grotere bijdrage van studenten.

Mark Rutte’s beruchte ‘leerrechten’ zullen geen ommekeer brengen in deze situatie. Sterker nog: de sfeer zal vergrimmen, het klimaat zal verslechteren. Rutte verwacht dat leerrechten een “stevige stimulans voor de kwaliteit en doelmatigheid van het hoger onderwijs” geven, “zonder dat dit minder toegankelijk wordt” . Daarbij maakt hij mijns inziens twee kleine denkfouten: leerrechten zullen de kwaliteit van het hoger onderwijs juist verslechten en het hoger onderwijs zal minder toegankelijk worden.

‘Leerrechten’ is een financiële maatregel, gebaseerd op drie pijlers: de collegegeld-systematiek; het stelsel van studiefinanciering; en de bekostiging van onderwijs-instellingen. Rutte’s plan is dat slechts één bachelor en één master worden bekostigd. Doe je meer dan een jaar te lang over je bachelor en/of meer dan een halfjaar te lang over je master, dan betaal je een stuk meer collegegeld. Het feit dat Nederland na het Verenigd Koninkrijk reeds het hoogste collegegeld heft van heel Europa lijkt hem even ontschoten te zijn. Het laatste onderdeel van Rutte’s masterplan is het baseren van subsidie aan de onderwijsinstellingen op basis van het aantal inschrijvingen en het aantal studenten dat een diploma haalt. Het nieuwe financieringsstelsel moet studenten financiële prikkels geven en een grotere concurrentie tussen onderwijs-instellingen teweeg brengen.

Het is onwaarschijnlijk dat studenten door financiële prikkels sneller, harder en beter zullen studeren. Veel waarschijnlijker is dat zij zich volledig zullen richten op het behalen van die broodnodige studiepuntjes. Het resultaat? Een zesjesklimaat.

Een van de economische basiswetten is dat voor volledige concurrentie volledige informatie nodig is; consumenten moeten op de hoogte zijn van hun mogelijkheden. Juist dit punt is niet gerealiseerd op het gebied van onderwijs. Opleidingen zijn veelal niet vergelijkbaar, en waar zij dat wel zijn ontbreekt volledige informatie en zijn verschillen en overeenkomsten lastig te herkennen. Tevens worden opleidingen in de nieuwe bekostigingssituatie niet gestimuleerd tot een goede informatievoorziening. Daar er heel veel op het spel staat, is de neiging tot het wegmoffelen van problemen des te groter.

Rutte graaft met zijn plannen een enorme valkuil waarin hij de kwaliteit van het hoger onderwijs wil lokken. Aan de ene kant worden instellingen sterk afhankelijk van het aantal studenten dat zich aanmeld, aan de andere kant zijn studenten bang om studievertraging op te lopen. Het gevolg: studenten zullen op die opleidingen afkomen waar ze zonder al te veel moeite hun papiertje kunnen halen in zo kort mogelijke tijd. Geen objectief informatiesysteem of goed functionerende medezeggenschapsorgaan kan daar iets aan veranderen.

(dit opiniestuk verscheen eerder in Folia Civitatis [PDF,p.19] )

Marktdenken

(onderstaande is een reactie op Jaap Dronkers in Het Betoog, zaterdag 28 januari 2006)



Er is de laatste tijd veel te doen geweest over onderwijs. Een ieder had wel wat te klagen, maar oplossingen bleven uit. Met plezier vernam ik dan ook het onderwerp van het eerste artikel in de reeks De Sociale Agenda. Er zouden oplossingen geboden worden en niet door de minste denkers. Jaap Dronkers, een autoriteit op het gebied van de onderwijssociologie zou zijn licht laten schijnen op onderwijs. Mijn hoop was groot. Ik kwam bedrogen uit.

Want wat stelt Dronkers voorop in zijn oplossing voor de geconstateerde problematiek? Concurrentie. In de uitgebreide versie van zijn betoog, schrijft hij:

Essentieel voor het bestaan van die concurrentie tussen scholen is het bestaan van meerdere aanbieders van hetzelfde onderwijs. Als in een regio feitelijk maar één aanbieder van een bepaald onderwijstype aanwezig was, was de effectiviteit van de scholen in die regio lager.

Het is een trend die ik de laatste tijd vaak waarneem. Hoe geven we een extra impuls aan de energievoorziening? Hoe zorgen we dat treinen rijden zonder vertraging? Hoe garanderen we goede medische zorg voor alle burgers? Het antwoord: we laten het over aan de markt. Toegepast op het onderwijs leidt dit tot de volgende denkbeelden: onderwijs als markt, de school als onderwijsfabriek of leerwinkel, de student als consument.

Ook ik heb mijn portie Adam Smith gehad (Ik heb het over zijn standaardwerk An Inquiry into the Nature And Causes of the Wealth of Nations uit 1776). De bakker bakt het brood, de boer bebouwt het land, de slager slacht het vlees. Waarom? Niet omdat ze jou van voeding willen voorzien, maar omdat ze geld willen verdienen. Zij realiseren het aanbod, zij voorzien in de vraag. In Smiths' woorden:

"It is not from the benevolence of the butcher, the brewer, or the baker that we expect our dinner, but from their regard to their self-love, and never talk to them of our own necessities but of their advantages."

Adam Smith had natuurlijk gelijk: we leven niet op een aardbol gevuld met medemenslievende altruïsten. Zijn mensbeeld is cynisch, maar waar. Deze gedacht is momenteel zo wijdverbreid dat de overheid haar beleid er van afleidt. Voor een deel gaat dat goed: neem bijvoorbeeld de privatisering van de postmarkt of de telefonie. Voor een deel gaat dat niet zo goed: werp een blik op je zorgpolis. Willen we geen blind beleid maken, dan moeten we lering trekken uit onze ervaringen. En wat leren die ons? Sommige zaken kan je maar beter niet over laten aan de markt.

Ook het hoger onderwijs valt ten prooi aan dit marktdenken. Onder het mom van een ‘terugtredende overheid’ draagt de staatssecretaris van onderwijs zo veel mogelijk over aan de markt. De bekostiging van hogescholen en universiteiten wordt gekoppeld aan het aantal ingeschreven studenten. Om hoofd te bieden aan deze onzekere financiële, zetten de onderwijsinstellingen alles op alles om studenten binnen te halen. In de ogen van de staatssecretaris zal deze concurrentie ertoe leiden dat instellingen elkaar aftroeven op basis van de kwaliteit van het aangeboden onderwijs: de een heeft zijn zaakjes nóg beter op orde dan de ander.

Helaas, de praktijk is anders. Wie de jaarlijkse studiebeurs, gehouden in de jaarbeurs te Utrecht, binnenloopt krijgt hier een duidelijk beeld van. De circa 88,000 bezoekers van deze beurs worden overgoten met flitsend neonlicht, overspoeld met gratis prullaria en overdonderd door hitsige promotiemedewerkers. De werkelijkheid van concurrentie is er geen van kwaliteit maar van reclame, marketing en propaganda. Het kabinet spreekt over een ‘terugtredende overheid’, ik noem het weglopen. Het wordt tijd dat de overheid haar verantwoordelijkheid neemt.

(een bewerking van dit artikel verscheen eerder in de Volkskrant)

Helderheid



Staatssecretaris Rutte noemt het transparancy, wij noemen het helderheid. Studenten moeten kunnen zien waarvoor en waartussen ze mogen kiezen. Dit alles in het kader van een beter afgewogen studiekeuze. Om die keuze mogelijk te maken hebben we een heus studiekeuzeportal opgericht. Zal daar gebruik van worden gemaakt? Even recapituleren hoe ik zelf heb gekozen, een paar jaar geleden.
Braaf als ik was, ben ik reeds in de vierde klas van de middelbare school gaan nadenken over wat ik later zou gaan studeren. Ik woonde in Amsterdam, dus had de keuze uit twee universiteiten: de VU en de UvA. Dat er meer steden waren in Nederland, kwam ik pas later achter. Dat er meer dan honderd hbo- en mbo-opleidingen worden aangeboden in Amsterdam, moest ik niets van weten.
Na wat rondvragen en -kijken viel ook al snel de VU af. Waarom? De VU had een lelijk gebouw dat zich bevond in een buitenwijk van Amsterdam. Toen was het zaak een opleiding te kiezen. Op basis van wat informatie op de website, een voorlichtingsbijeenkomst en een dagje proefstuderen viel de uiteindelijke keuze.

Was dat een gewogen beslissing? Ik denk het niet. Nu wil ik niet beweren dat je niet mag meewegen hoe en waar je school of universiteit is gelegen, hoe het studentenleven is en hoe het aanvoelt. Ik heb in mijn keuze echter een paar opties over het hoofd gezien en ik vermoed dat ik daarin niet de enige ben.
We moeten als scholieren bewuster omgaan met de keuze van onze vervolgopleiding. Nederland heeft een schatrijk aanbod van bachelor-, master- en mbo-opleidingen, maar slechts een enkeling is zich er bewust van. Je verwacht toch iets meer interesse van studenten voor hetgeen ze zich voor 3, 4 of zelfs 6 jaar aan verbinden?
Dit vereist zowel de inzet van de middelbare school als een mentaliteitsverandering van de leerling. Scholieren moeten intensief worden begeleid bij hun studiekeuze, geprikkeld worden door de mogelijkheden die ze geboden worden en aangesproken door rolmodellen van hun studierichting.

Ook Rutte heeft hier een rol in. Want áls een scholier de moeite neemt om op zoek te gaan, zorg er dan ook voor dat hij vindt wat hij zoekt. De staatssecretaris kan erop toe zien dat (hoge)scholen en universiteiten objectieve informatie geven en eerlijk, helder zijn in hun communicatie. Het moet afgelopen zijn met de inhoudsloze promotiespotjes, aanlokkelijke goodies om de aankomende student mee te verleiden en peperdure imagocampagnes waaraan het halve onderwijsbudget opgaat. Tót die tijd hebben wij de Carrièrebeurs.


(deze column verscheen eerder in Memory Magazine)

Leenangst



Het gisteren gepresenteerde onderzoek over leengedrag van studenten, in opdracht van het ministerie van Onderwijs (OCW), bevestigt wat de LSVb al jaren zegt: er heerst grote leenangst onder studenten en deze angst is niet makkelijk te ondervangen. De oplossing ligt in een nieuw stelsel van studeren zonder zorgen: Studietax.

Door de afnemende studiebeurs in de afgelopen decennia zijn studenten steeds meer aangewezen op alternatieve inkomsten. In tegenstelling tot staatssecretaris Ruttes pleidooi voor ”investeren in jezelf” zien studenten lenen als een noodzakelijk kwaad. De praktijk is dan ook werken, en niet lenen. En de tijd die studenten besteden aan werken gaat af van hun studietijd.

Uit het onderzoek wordt duidelijk dat individuele leningen geen oplossing zijn; de leenangst zit diepgeworteld. Reeds in 2003 presenteerde de LSVb, samen met PvdA en GroenLinks, een alternatief plan: een stelsel van Studietax. In dit stelsel krijgen studenten gedurende hun studietijd een beurs die voldoet in hun levensonderhoud en studiekosten. Na beëindiging van hun studie storten studenten via een heffing op hun inkomstenbelasting gedurende enkele jaren geld in een op te richten hoger onderwijsfonds. Vanuit dit fonds wordt de beurs van toekomstige studenten betaald. Op deze wijze dragen studenten naar rato van inkomen bij aan de kenniseconomie en kunnen ze zich zonder zorgen richten op hun studie.

Het voorstel is financieel doorgelicht door het Centraal Planbureau en begrotingstechnisch haalbaar bevonden. Toch heeft het kabinet een andere lijn uitgezet. Een lijn die ons inziens weinig vruchten zal afwerpen. Eind maart ligt Ruttes leerrechtenplan bij de Tweede Kamer. De LSVb roept de Kamerleden op de resultaten van het onderzoek serieus te nemen en op zoek te gaan naar een alternatief voor de geconstateerde problemen.

(dit opiniestuk verscheen eerder in het Reformatorisch Dagblad)

pics @ jonathanmijs.nl.tt



Slechts een attendering: ik heb een selectie foto's op het internet gezet, onder de tot de verbeelding sprekende titel 'pics'. Zie hier.

Beste tijd van je leven



Studeren is de beste tijd van je leven. Tenminste, dat hoor je altijd. Los van de waarheid van deze bewering kunnen we in ieder geval constateren dat hij gezaghebbend is: de bewering leidde vorig jaar nog tot honderddrieëndertigduizend nieuwe zielen in het hoger onderwijs. En dat is maar goed ook, want onze regering heeft getekend voor een hogere hoger onderwijsparticipatie. Klinkt dubbelop, maar betekent dat over vijf jaar 50% van de beroepsbevolking moet zijn opgeleid op een hogeschool of universiteit. Het motto: geen kwaliteit, maar kwantiteit. Meer zielen, meer vreugde. En het liefst een beetje snel ook.

Dat motto werkt door in de praktijk: achterna gezeten door een met de stok zwaaiende overheid hol je door je studie heen om uiteindelijk, met een voldaan gevoel, nog nahijgend tot stilstand te komen. Hoe je het hebt gered weet je niet. Wat je hebt geleerd ben je al vergeten. Maar je bent er. Blijdschap alom. Helaas ebt dat gevoel al snel weg. Want, wat nu? Nu ben je klaar met je studie en moet je verder. Hier hadden ze niets over gezegd. Is dit ook een goede tijd van je leven?

Gelukkig ben ik nog niet zo ver, ik heb nog even. In afwachting van dat moment ben ik mij druk aan het oriënteren. Bij mij betekent dat vooral heel veel in het rond vragen. Wat is goed, leuk, mooi, spannend? Een vriend van me meent dat ik een trainee-programma moet gaan volgen. Dan loop je eerst stage bij één ministerie, dan bij een ander en uiteindelijk ga je aan de slag en wordt je een ambtenaar. En ambtenaren zijn ook gewoon hele leuke mensen, zo is mij verteld. Mijn buurjongentje adviseert mij om lekker te gaan pokeren, daar kun je tonnen mee verdienen, zegt hij.

Misschien moet ik maar gewoon ‘iets met mijn handen gaan doen’, zoals mijn kapster me keer op keer op het hart drukt. Het blijft een lastige keuze, die we vooral een beetje snel moeten nemen als het aan het kabinet ligt. Maar ik, ik weet het nog niet. Alhoewel, nu ik er nog eens goed over nadenk denk ik dat ik de oplossing heb gevonden! Waarom niet gewoon doorstuderen? Studeren is immers de beste tijd van je leven.

(deze column verscheen eerder in Memory Magazine)

Land van 1000 meningen



“Land van 1000 meningen / het land van nuchterheid”, opende het in 1996 uitgebrachte liedje 15 miljoen mensen. In de tussentijd is er het een en ander veranderd en dat doel ik niet op het feit dat het een ruime 16 miljoen mensen zijn geworden. Nee, de 1000 meningen zijn gebleven, maar de nuchterheid is verdwenen. In de onderwijspolitiek constateer ik een panisch beleid. Er moet een nieuwe wet komen en snel ook. In dit politieke proces wordt volkomen voorbij gegaan aan de praktijk.

Eigenlijk is het heel simpel. Om te kunnen studeren heb je in ieder geval nodig: een dak boven je hoofd, een bord op tafel en vervoer om bij je onderwijsinstelling te kunnen komen. Daarnaast is een flinke portie talent, doorzettingsvermogen en motivatie noodzakelijk. Aan de overheid is het om de randvoorwaarden te scheppen waarbinnen de student zich kan ontwikkelen. Dat betekent in ieder geval: zorg dragen voor huisvesting, vervoer en levensonderhoud van de student.

De huur van een kamer in de studentensteden van Nederland schommelt op dit moment tussen de € 250 en € 400 per maand. Voor eten heb je volgens Nibud zo’n € 175 nodig en aan vervoer wordt, buiten de OV-kaart om, maandelijks nog zo’n € 25 besteed. Om in deze kosten te voorzien krijgen studenten van de overheid per maand € 75 als ze thuis wonen en € 233 als ze op kamers zitten. You do the math.

Elke student draagt jaarlijks al zijn steentje bij door een paar duizend euro te betalen aan collegegeld en studieboeken. Een verstandige overheid stelt studenten in staat om zich volledig op hun studie te storten. Een realistische overheid beseft dat dat niet lukt met voortdurende kopzorgen over huisvesting, vervoer en levensonderhoud. Een progressieve overheid durft te investeren in de studenten, wetend dat die investering zich zowel maatschappelijk als economisch ruimschoots zal terugverdienen.

(deze column verscheen eerder op TweeVandaag Top-X)